HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:524 (X/Stichting Bedrijfstakpensioenfonds over de weg en Stichting Opleidings- en ontwikkelingsfonds beroepsgoederenvervoer over de weg en verhuur van mobiele kranen)

Nu een verstekvonnis wordt gewezen zonder dat de gedaagde is gehoord, kan in het kader van de toetsing of summierlijk is gebleken van het vorderingsrecht van de aanvrager van een faillissement (art. 6 lid 3 Fw) de juistheid van dat verstekvonnis niet zonder meer uitgangspunt zijn indien daartegen verzet is ingesteld of nog kan worden ingesteld. Dat geldt met name indien de veroordeelde gemotiveerd stelt dat en waarom het vonnis in de verzetprocedure geen stand zal houden in verband met feiten en omstandigheden waarmee in dat vonnis geen rekening is gehouden, omdat deze niet ter kennis van de rechter waren gebracht.

Verzoek tot faillietverklaring

Verzoeker tot cassatie (hierna: verzoeker) is bij verstekvonnis van de kantonrechter veroordeeld aan verweersters in cassatie (hierna: de stichtingen) € 3.800 te betalen wegens af te dragen werknemerspremies. Het verstekvonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Verzoeker heeft tegen het vonnis verzet ingesteld. Op dat verzet was nog niet beslist toen de behandeling in het hoger beroep van de hierna te bespreken zaak werd gesloten.

In de onderhavige zaak hebben de stichtingen verzocht verzoeker failliet te verklaren. Aan hun verzoek hebben zij ten grondslag gelegd dat verzoeker de hiervoor genoemde vordering onbetaald heeft gelaten. De rechtbank heeft verzoeker bij verstek failliet verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker verzet ingesteld. In de verzetprocedure heeft de rechtbank het faillissementsvonnis vernietigd en de stichtingen alsnog niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek. Daartoe overwoog de rechtbank dat verzoeker geen personeel in dienst heeft of heeft gehad en dat dit door de stichtingen niet genoegzaam is bestreden. Volgens de rechtbank was daarmee evident dat de stichtingen materieel geen vorderingsrecht hebben en dat het verstekvonnis van de kantonrechter – waarbij verzoeker is veroordeeld een bedrag te betalen wegens af te dragen werknemerspremies – is gegrond op een kennelijk onjuiste feitelijke grondslag.

Hoger beroep

De stichtingen hebben tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Verzoeker heeft verweer gevoerd. Het hof heeft over het verweer van verzoeker het volgende vastgesteld:

“2.2. [Verzoeker] voert aan dat de kantonrechter hem ten onrechte heeft veroordeeld en hij (…) in verzet is gekomen. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij nimmer premies aan de stichtingen verschuldigd is geweest, omdat hij nooit werknemers in dienst heeft gehad. Er is een misverstand ontstaan doordat de onderneming van [verzoeker] onder twee nummers ingeschreven heeft gestaan bij de Kamer van Koophandel terwijl het in feite om één onderneming gaat. Hij heeft op 4 april 2012 de door hem van de stichtingen ontvangen verklaring “geen personeel’’ ondertekend geretourneerd. Hij hoefde er niet op bedacht te zijn dat de stichtingen een formulier zouden sturen dat sloeg op een onderneming met het (oude) inschrijfnummer [001]. Het moet de stichtingen duidelijk zijn geweest dat hij geen personeel in dienst had. Dat op het geretourneerde formulier niet het (thans relevante) inschrijfnummer [002] stond doet hier niets aan af. Daarmee staat vast dat het verstekvonnis berust op een kennelijk onjuiste grondslag. Het verstekvonnis zal dus worden vernietigd. (…)”.

Het hof heeft dit verweer verworpen. Hiertoe heeft het hof overwogen dat voldoende is gebleken van het vorderingsrecht van de stichtingen, gelet op het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde verstekvonnis van de kantonrechter waarbij verzoeker is veroordeeld tot betaling aan de stichtingen. Dat verzoeker tegen dit verstekvonnis verzet heeft ingesteld, maakt dat volgens het hof niet anders. De tenuitvoerlegging bij voorraad is immers niet geschorst. Het hof overweegt verder dat onvoldoende vaststaat dat het verstekvonnis op een kennelijke vergissing berust en het (vasthouden aan het) faillissementsverzoek neerkomt op misbruik van (verhaals)recht (zie r.o. 2.3).

Het geding in cassatie

In cassatie klaagt verzoeker dat voor de verwerping van zijn verweer niet zonder meer kan worden verwezen naar het verstekvonnis en het feit dat dit vonnis niet berust op een kennelijke vergissing, nu dat vonnis niet op tegenspraak is gewezen. De motivering die het hof heeft gegeven, schiet daarom tekort, aldus verzoeker.

De Hoge Raad acht deze klacht gegrond en overweegt daartoe als volgt:

“3.4.1 Voor het uitspreken van het faillissement is op grond van art. 6 lid 3 Fw onder meer vereist dat summierlijk blijkt van het vorderingsrecht van de aanvrager. Dat kan onder meer blijken uit een verstekvonnis waarbij de vordering is toegewezen. Nu een verstekvonnis in eerste aanleg wordt gewezen zonder dat de gedaagde in de procedure is gehoord, kan in het kader van art. 6 lid 3 Fw de juistheid van dat vonnis echter niet zonder meer uitgangspunt zijn indien daartegen verzet is ingesteld of nog kan worden ingesteld. Dat geldt met name indien de veroordeelde gemotiveerd stelt dat en waarom het vonnis in de verzetprocedure geen stand zal houden in verband met feiten en omstandigheden waarmee in dat vonnis geen rekening is gehouden, omdat deze niet ter kennis van de rechter waren gebracht. Bij de behandeling van een faillissementsaanvraag is de rechter dan ook gehouden de daarop betrekking hebbende stellingen van de veroordeelde te betrekken bij zijn oordeel of summierlijk blijkt van het vorderingsrecht van de aanvrager. Dat geldt dus ook buiten het geval dat het vonnis berust op een kennelijke vergissing of er sprake is van relevante nieuwe feiten en omstandigheden.”

In r.o. 3.4.2 overweegt de Hoge Raad dat het in hoger beroep gevoerde verweer inhoudt dat het verstekvonnis waarop de stichtingen zich voor hun faillissementsaanvraag beroepen, in het verzet dat verzoeker daartegen heeft ingesteld, geen stand zal houden op grond van feiten en omstandigheden waarmee in dat vonnis geen rekening is gehouden. De Hoge Raad overweegt voorts dat het hof aan dit verweer is voorbijgegaan op de grond dat het verstekvonnis niet berust op een kennelijke vergissing. De Hoge Raad oordeelt dat uit hetgeen hij in r.o. 3.4.1 heeft overwogen volgt dat deze overweging van het hof de verwerping van dit verweer niet kan dragen. Verzoeker klaagt dus terecht dat de motivering die het hof heeft gegeven, tekortschiet.

De Hoge Raad vernietigt – conform de conclusie van A-G Van Peursem – het arrest van het hof en verwijst het geding naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.

Share This