Selecteer een pagina

HR 6 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1338 (SNS Property Finance B.V. en de Rabobank Apeldoorn e.o/ X)

Indien op de voet van art. 74 Fw dan wel art. 75 Fw een schuldeiserscommissie is benoemd, is de gefailleerde op grond van art. 105 lid 1 Fw verplicht om voor deze commissie te verschijnen en haar alle inlichtingen te verschaffen, zo dikwijls hij daartoe wordt opgeroepen. Dergelijke verstrekkende verplichtingen jegens een commissie uit de schuldeisers kunnen de gefailleerde zodanig in een eigen belang treffen dat hij in de procedure op de voet van art. 74 Fw dan wel art. 75 Fw behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, hetgeen grond is om hem in dat verband als belanghebbende aan te merken.

Achtergrond 

Verweerder was grootaandeelhouder van de Eurocommerce Groep. Tot die groep behoorden onder meer Eurocommerce Holding B.V. (hierna: EH) en Eurocommerce Projectontwikkeling B.V. (hierna: EP). Verweerder was (indirect) bestuurder van EH en EP. Rabobank was de huisbankier van de Eurocommerce Groep én van verweerder. Bij vonnis van 12 juli 2012 zijn EH en EP in staat van faillissement verklaard. Verweerder heeft op 7 juni 2012 ontslag genomen als (indirect) bestuurder van EH en EP. Op verzoek van de curatoren Eurocommerce is verweerder bij vonnis van 27 november 2012 in staat van faillissement verklaard. Daarbij is een curator aangesteld en een rechter-commissaris benoemd. Verzoekers tot cassatie (hierna: de Banken) zijn door de curator op een lijst van voorlopig erkende crediteuren geplaatst.

De onderhavige procedure

De onderhavige procedure betreft een verzoek van de Banken om in het faillissement van verweerder op de voet van art. 74 Fw een voorlopige commissie uit de schuldeisers in te stellen en om hen daarin tot leden te benoemen. De curator heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek van de Banken moet worden afgewezen. De rechtbank heeft verweerder in de onderhavige procedure als belanghebbende toegelaten. Verweerder heeft de rechtbank om afwijzing van het verzoek verzocht.

De rechtbank heeft het verzoek van de Banken afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank – kort samengevat – overwogen dat (i) de aard en belangrijkheid van het faillissement thans geen aanleiding geven een crediteurencommissie in te stellen, (ii) er in het faillissement al veel is gebeurd en eigen onderzoek van de curator al veel heeft opgeleverd, (iii) het gelet op de stellingen van de Banken meer voor de hand had gelegen een verzoek te doen tot het instellen van een crediteurencommissie in de faillissementen van de verschillende Eurocommerce vennootschappen, (iv) het inzetten door de Banken van hun specifieke kennis van en ervaring met de handelwijze van verweerder ook kunnen plaatsvinden zonder instelling van een crediteurencommissie en (v) het risico bestaat dat de Banken oneigenlijk gebruik maken van de bevoegdheden die een crediteurencommissie heeft. 

Het geding in cassatie

In cassatie komen de Banken met diverse rechts- en motiveringsklachten op tegen dit oordeel van de rechtbank. Bij de beoordeling van de klachten gaat de Hoge Raad eerst uitgebreid in op de functie van de schuldeiserscommissie als bedoeld in art. 74 Fw:

“3.4.2 Op grond van art. 74 lid 1 Fw kan de rechtbank bij het vonnis van faillietverklaring of bij een latere beschikking, “zo de belangrijkheid of de aard des boedels daartoe aanleiding geeft”, uit de haar bekende schuldeisers een voorlopige commissie van één tot drie leden benoemen teneinde de curator van advies te dienen, zolang niet op de voet van art. 75 Fw is beslist over de benoeming van een definitieve commissie uit de schuldeisers. Art. 75 lid 1 Fw bepaalt dat, ongeacht of op de voet van art. 74 Fw een voorlopige commissie uit de schuldeisers is benoemd, de rechter-commissaris op de verificatievergadering de schuldeisers raadpleegt over de benoeming van een definitieve commissie uit hun midden; op verlangen van de vergadering gaat de rechter-commissaris dadelijk over tot de benoeming van een dergelijke, uit één tot drie leden bestaande commissie.

3.4.3 Blijkens de wetsgeschiedenis dient de benoeming van een commissie uit de schuldeisers op de voet van de art. 74 en 75 Fw ertoe de schuldeisers te allen tijde de nodige invloed op de gang van zaken in het faillissement te verzekeren (vgl. Van der Feltz II, p. 20). Voorts blijkt uit de wetsgeschiedenis van art. 74 Fw dat de benoeming van een voorlopige commissie uit de schuldeisers niet is voorgeschreven, omdat in kleine faillissementen zich slechts hoogst zelden de behoefte aan een dergelijke commissie zal doen gevoelen. Met de woorden “de belangrijkheid of de aard des boedels” is tot uitdrukking gebracht dat het in dit verband niet louter aankomt op de omvang van de boedel, maar dat ook de wijze waarop de boedel dient te worden beheerd, de benoeming van een commissie uit de schuldeisers kan rechtvaardigen (vgl. Van der Feltz II, p. 25-26).

3.4.4 Aan een op de voet van art. 74 Fw dan wel art. 75 Fw benoemde commissie uit de schuldeisers komen diverse bevoegdheden toe. Zo is de commissie op grond van art. 76 Fw bevoegd om te allen tijde raadpleging van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers betreffende het faillissement te vorderen, terwijl de curator verplicht is aan de commissie alle van hem verlangde inlichtingen te verstrekken. De curator is voorts op grond van art. 78 Fw verplicht ten aanzien van een groot aantal (rechts)handelingen het voorafgaand advies van de commissie in te winnen. Evenwel is de curator op grond van art. 79 Fw niet gebonden aan het advies van de commissie. Ten slotte kan de commissie op de voet van art. 69 lid 1 Fw bij de rechter-commissaris opkomen tegen elke handeling van de curator of van de rechter-commissaris een bevel uitlokken.”

Na deze vooropstelling, overweegt de Hoge Raad dat de rechtbank zich in het onderhavige geval allereerst rekenschap heeft gegeven van de aard en “de belangrijkheid” van het faillissement van verweerder. Volgens de Hoge Raad heeft de rechtbank zich bij de beoordeling hiervan in het bijzonder laten leiden door het ontbreken van complicerende omstandigheden, zoals internationale aspecten met betrekking tot de diverse bankrekeningen van verweerder, en door de omvang van de reeds aanwezige en de nog in de boedel terug te brengen activa. Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op hetgeen door de curator reeds is bewerkstelligd ten aanzien van het terugbrengen van activa in de boedel en op de samenhang van het onderhavige faillissement met de faillissementen van de Eurocommerce-vennootschappen. Ten slotte – aldus nog steeds de Hoge Raad – heeft de rechtbank gewicht toegekend aan de bevoegdheden die op grond van de Faillissementswet toekomen aan een commissie uit de schuldeisers. Daarbij heeft de rechtbank – gezien de omstandigheden van het onderhavige geval – met name gewezen op de mogelijkheid dat het belang van de Banken bij een dergelijke commissie in strijd komt met het belang bij een correcte afwikkeling van het faillissement van verweerder in privé, en op het risico dat de Banken oneigenlijk gebruik zouden maken van de bevoegdheden die een commissie uit de schuldeisers heeft.

De Hoge Raad komt tot de slotsom dat de rechtbank, door op deze gronden tot het oordeel te komen dat er thans geen aanleiding is om op de voet van art. 74 Fw een voorlopige commissie uit de schuldeisers te benoemen, geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en dat zij haar oordeel voldoende heeft gemotiveerd (r.o. 3.4.5).

Gefaillieerde als belanghebbende?

De Banken hebben in cassatie verder betoogd dat de rechtbank verweerder ten onrechte als belanghebbende in de onderhavige procedure heeft toegelaten. De Hoge Raad overweegt dat op grond van art. 362 lid 2 Fw de derde titel van het eerste boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (art. 261291) niet van toepassing is op verzoeken ingevolge de Faillissementswet. Dit staat er evenwel niet aan in de weg dat bij de beantwoording van de vraag wie in het kader van een verzoek ingevolge de Faillissementswet als belanghebbende kan worden aangemerkt, zoveel mogelijk aansluiting wordt gezocht bij het begrip ‘belanghebbende’ van art. 282 Rv en de in dat verband ontwikkelde rechtspraak.

Volgens vaste rechtspraak moet het antwoord op de vraag of iemand als belanghebbende kan worden aangemerkt, worden afgeleid uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen. Daarbij zal een rol spelen in hoeverre iemand door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat hij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre hij anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen (vgl. HR 10 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY8290, NJ 2007/45, en HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV9961, NJ 2012/339).

Tegen de achtergrond van deze rechtspraak overweegt de Hoge Raad als volgt: 

“Indien op de voet van art. 74 Fw dan wel art. 75 Fw een commissie uit de schuldeisers is benoemd, is de gefailleerde op grond van art. 105 lid 1 Fw verplicht om voor deze commissie te verschijnen en haar alle inlichtingen te verschaffen, zo dikwijls hij daartoe wordt opgeroepen. Naar het oordeel van de Hoge Raad kunnen dergelijke verstrekkende verplichtingen jegens een commissie uit de schuldeisers de gefailleerde zodanig in een eigen belang treffen dat hij in de procedure op de voet van art. 74 Fw dan wel art. 75 Fw behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, hetgeen grond is om hem in dat verband als belanghebbende aan te merken. Volgens de Hoge Raad heeft de rechtbank in het verband van de onderhavige procedure verweerder dus terecht als belanghebbende aangemerkt.” (r.o. 3.5.2).

De Hoge Raad verwerpt – conform de conclusie van A-G Wuisman – het beroep.

Share This