Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in onze Privacyverklaring.
weigeren accepteren

Prejudiciële vraag: kan bank zich op stortingen na het peilmoment op de rekening-courant verhalen?

CB 2018-195 Geplaatst op 07 december 2018 door

HR 23 november 2018, ECLI:NL:HR:2018:2189 (Curatoren Eurocommerce/Rabobank)

In deze prejudiciële procedure staat de vraag centraal hoe een bank moet omgaan met stortingen op de rekening-courant in het zicht van faillissement van de rekeninghouder. De bank heeft (ook op grond van de algemene bankvoorwaarden) een openbaar pandrecht op al hetgeen de rekeninghouder van de bank te vorderen heeft. Binnen de rekening-courantverhouding wordt de bank door een betaling van een schuldenaar aan de rekeninghouder op zijn beurt schuldenaar van de rekeninghouder, maar kan de bank deze schuld verrekenen met wat hij van de rekeninghouder te vorderen heeft. De Hoge Raad beslist dat op deze verrekening art. 54 Fw van toepassing is, welk artikel onder omstandigheden aan verrekening in de weg staat. Als betalingen op de rekening binnenkomen na het peilmoment (het moment dat de bank niet meer te goeder trouw is in de zin van art. 54 Fw), mag de bank zich daarop niet verhalen, ook niet op grond van zijn pandrecht.

Achtergrond

De Rabobank was een van de belangrijkste financiers van de Eurocommerce-groep (hierna ook Eurocommerce). Het grootste deel van het betalingsverkeer van Eurocommerce verliep via rekeningen die zij bij de Rabobank aanhield. De Rabobank had een stil pandrecht op alle bestaande en toekomstige vorderingen. In juli 2011 heeft Rabobank Eurocommerce bericht dat zij niet meer aan de overeengekomen solvabiliteitseisen voldeed. Daarmee ontstond voor Rabobank het recht om het krediet op te zeggen. In september 2011 heeft Rabobank met Eurocommerce een wijzigingsovereenkomst gesloten. Op grond daarvan was de bank bevoegd om alle al dan niet opeisbare vorderingen die Eurocommerce aan haar verschuldigd is te verrekenen met alles wat (een van de leden van) Eurocommerce op de bank te vorderen heeft. Daarnaast heeft de bank een pandrecht op alle vorderingen die Eurocommerce op de bank heeft. Overigens wordt een dergelijk pandrecht zonder de verruiming ten aanzien van het concernverband ook in de algemene bankvoorwaarden bedongen.

In mei 2012 is aan de Holding en een aantal groepsvennootschappen surseance van betaling verleend. Deze surseances zijn in juli 2012 omgezet in faillissementen.

Procedure bij de rechtbank

De curatoren hebben aanspraak gemaakt op de door derden gedane betalingen op de bankrekeningen van Eurocommerce, voor zover die overschrijvingen geen betrekking hadden op aan Rabobank (stil) verpande vorderingen, vanaf het moment dat Rabobank niet meer te goeder trouw was. In deze procedure vorderen de curatoren de verrekeningen vanaf 5 maart 2012, ten bedrage van ongeveer vijf miljoen euro.

De rechtbank heeft in zijn tussenvonnis overwogen dat partijen in essentie over twee vragen verdeeld zijn. Ten eerste de vraag of Rabobank op grond van haar openbare pandrecht op vorderingen van Eurocommerce op Rabobank, zich mocht verhalen op alle bedragen die tot aan de datum van surseance of faillissement op de rekeningen van Eurocommerce zijn bijgeschreven. Wanneer dat mocht, is de volgende vraag vanaf welke datum Rabobank niet meer te goeder trouw was in de zin van art. 54 Fw. De rechtbank heeft daarom bij tussenvonnis van 2 mei 2018 de volgende prejudiciële vraag aan de Hoge Raad gesteld:

“Is een bank gerechtigd zich krachtens een rechtsgeldig gevestigd en onaantastbaar openbaar pandrecht te verhalen op vorderingen van een klant op de bank die het gevolg zijn van betalingen door derden van niet aan de bank verpande vorderingen die door de bank ten gunste van die klant in ontvangst zijn genomen en vervolgens in de rekening-courant met deze klant (de bankrekening) worden geboekt, indien de betaalde bedragen na het peilmoment in de zin van art. 54 Fw door de bank zijn ontvangen?”

Beantwoording prejudiciële vraag

Bij faillissement zijn de mogelijkheden om te verrekenen ruimer (art. 53 Fw). Art. 54 lid 1 Fw maakt daarop de volgende uitzondering:

“Niettemin is degene die een schuld aan de gefailleerde of een vordering op de gefailleerde vóór de faillietverklaring van een derde heeft overgenomen, niet bevoegd tot verrekening, indien hij bij de overneming niet te goeder trouw heeft gehandeld.”

Wanneer een schuldenaar van de rekeninghouder door storting op diens bankrekening voldoet aan zijn schuld aan die rekeningouder, wordt de bank door creditering van die rekening schuldenaar van de rekeninghouder. Dit was al vaste jurisprudentie van de Hoge Raad. De ontstane schuld kan de bank binnen de rekening-courantverhouding verrekenen met wat hij van de rekeninghouder te vorderen heeft. De Hoge Raad had al eerder (in het arrest HR 7 oktober 1988, ECLI:NL:HR:1988:AC0457, Amro Bank/THB) bepaald dat art. 54 Fw zich ertegen verzet dat de bank zich met succes op verrekening beroept indien sprake is van een faillissement van de rekeninghouder en de bank op dat moment niet te goeder trouw was in de zin van art. 54 Fw. Daarop was in het arrest HR 17 februari 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1641 (Mulder q.q./CLBN) een uitzondering aanvaard voor het geval sprake is van een betaling die strekt tot voldoening van een vordering die aan de bank stil is verpand. Dat geval is in deze zaak niet aan de orde (3.4.1).

De uitzondering van art. 54 Fw is dus ook van toepassing op een rekening-courantverhouding. De Hoge Raad haalt aan (3.4.2) dat die beslissing mede is gemotiveerd met het argument dat het girale betalingsverkeer aan banken geen uitzonderingspositie mag verschaffen in die zijn dat zij zich afzonderlijk door middel van verrekening zouden kunnen verhalen op hetgeen zij aan de schuldenaar schuldig zijn geworden in het zicht van diens faillissement.

Ook wanneer geen schuld aan de gefailleerde maar een vordering op de gefailleerde wordt overgenomen, is art. 54 Fw van toepassing. Wanneer een schuldeiser van een later gefailleerde schuldenaar een zekerheidsrecht heeft bedongen voor al hetgeen die schuldeiser van de schuldenaar te vorderen heeft of zal krijgen, en de schuldeiser een (niet met een zekerheidsrecht versterkte) vordering van een derde op de schuldenaar overneemt, is de regel van art. 54 Fw van overeenkomstige toepassing. Dit volgt uit HR 30 januari 1953, ECLI:NL:HR:1953:121, NJ 1953/578 (Doyer & Kalff), aldus de Hoge Raad. Verrekening van de overgenomen vordering met een schuld aan de schuldenaar of verhaal voor een overgenomen vordering krachtens het zekerheidsrecht, worden verhinderd door art. 54 Fw als de schuldeiser bij de overneming niet te goeder trouw is (3.4.3).

De ratio van de in art. 54 Fw gelegen beperking van de bevoegdheid tot verrekening is bij overneming van een schuld net als bij overneming van een vordering, het voorkomen van ongerechtvaardigde bevoordeling boven andere schuldeisers. Ook de regel van het arrest Doyer & Kalff houdt verband met het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers. Verhaal krachtens een zekerheidsrecht is eveneens uitgesloten in de situatie dat de schuldeiser dat zekerheidsrecht heeft bedongen op de (mogelijke) vordering van de schuldenaar op de schuldeiser zelf en die schuldeiser een schuld van een derde aan de schuldenaar overneemt. Ook in die situatie wordt dus, als de schuldeiser bij de overneming niet te goeder trouw is in de zin van art. 54 Fw, niet alleen verrekening van een overgenomen schuld met de vordering van de schuldeiser op de schuldenaar verhinderd, maar ook verhaal krachtens het zekerheidsrecht op de door de overgenomen schuld ontstane vordering van de schuldenaar op de schuldeiser zelf (3.4.4).

De Hoge Raad beslist dat de prejudiciële vraag gelet op de aangedragen argumenten ontkennend moet worden beantwoord. Een creditering van de rekeninghouder bij een bank ten gevolge van een betaling door een derde, moet voor de toepassing van art. 54 Fw worden gelijkgesteld met schuldovername (3.5).

De Hoge Raad merkt nog op dat er geen aanleiding is om voor de situatie waarop de prejudiciële vraag ziet, daarop een uitzondering te aanvaarden vergelijkbaar met de in Mulder q.q./CLBN (hiervoor genoemd) gemaakte uitzondering. In de situatie waarop de prejudiciële vraag ziet, hangt de positie van de bank als zekerheidsgerechtigde namelijk onmiddellijk en uitsluitend samen met haar bijzondere positie in het girale betalingsverkeer, nu het pandrecht van de bank is gevestigd op de vordering van de schuldenaar op de bank die voortvloeit uit de rekening-courantverhouding (3.6).

email print