HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3678

1. Doordat de vernietiging van een rechterlijke uitspraak terugwerkende kracht heeft, ontstaat de vordering tot ongedaanmaking van de verrichte prestatie op het moment waarop ter uitvoering van die uitspraak is gepresteerd.
2. Art. 194 Fw heeft niet slechts betrekking op baten die voor de curator c.q. de bewindvoerder ten tijde van de vereffening onbekend waren, maar ook op voor de curator c.q. bewindvoerder op dat moment bekende baten die hij in de omstandigheden van het geval op redelijke gronden niet heeft gerealiseerd en daarom niet in de slotuitdeling heeft betrokken. 

In dit arrest heeft de Hoge Raad buiten twijfel gesteld op welk moment een vordering uit onverschuldigde betaling ontstaat die het gevolg is van de vernietiging in hoger beroep van het vonnis op grond waarvan de betaling had plaatsgevonden, en heeft de Hoge Raad nader verduidelijkt wat onder “nagekomen baten” in de zin van art. 194 Fw moet worden verstaan.

Feiten

X is veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan A en voldoet aan dat vonnis. In hoger beroep wordt de veroordeling vernietigd, zodat X een vordering op A verkrijgt uit onverschuldigde betaling. In de periode tussen de betaling aan A en het arrest van het hof wordt X toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp), en doorloopt hij de drie jaar die de regeling duurt, met succes. Na het arrest van het hof waarbij de veroordeling van X om A te betalen, wordt vernietigd, wordt X de schone lei verleend en gaat de bewindvoerder onverwijld over tot het afwikkelen van de schuldsaneringsregeling. De bewindvoerder weet van het arrest van het hof, maar wacht de cassatietermijn tegen het arrest over de schadevergoeding af, ter vermijding van risico’s voor de boedel. Daardoor is het bedrag van A nog niet ontvangen als de slotuitdelingslijst van de schuldsaneringsregeling verbindend wordt. De vraag rijst: is het door A betaalde bedrag een nagekomen bate in de zin van art. 194 Fw, die alsnog aan de schuldeisers van X ten goede moet komen?

De rechtbank meent van niet, maar het hof oordeelt anders: de bate is met terugwerkende kracht ontstaan op het tijdstip van betaling aan A, dus vóór de inwerkingtreding van de Wsnp. De bate viel dus in de boedel. De bewindvoerder kan volgens het hof ook geen verwijt ervan worden gemaakt dat hij niet tot inning is overgegaan, en daarom geldt de bate volgens het hof niet als “bekende bate” in de zin van art. 154 Fw. X komt tegen dit oordeel op in cassatie.

Ontstaansmoment vordering uit onverschuldigde betaling

Wie zonder rechtsgrond een betaling doet (of een andere prestatie verricht), kan op grond van art. 6:203 BW het betaalde (gepresteerde) terugvorderen. Die vordering ontstaat op het moment van betaling. Nu had X niet betaald zonder rechtsgrond, maar ter uitvoering van een veroordeling in een vonnis. Dat vonnis werd pas later, in hoger beroep vernietigd. De rechtsgrond was daardoor achteraf aan de betaling komen te ontvallen, maar per welke datum? X klaagde in cassatie dat de vordering uit onverschuldigde betaling pas ontstond op het moment van vernietiging van het vonnis in eerste aanleg door de appelrechter. Dat is onjuist, aldus de Hoge Raad:

“Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad brengt een onherroepelijk geworden vernietiging door de appelrechter van een rechterlijke uitspraak in eerste aanleg mee dat de rechtsgrond ontvalt aan hetgeen reeds ter uitvoering van die uitspraak is verricht, en dat op de voet van art. 6:203 BW een vordering tot ongedaanmaking van de verrichte prestatie ontstaat […]. In deze rechtspraak ligt besloten dat de vernietiging van een rechterlijke uitspraak ter ugwerkende kracht heeft, en dat de vordering strekkende tot ongedaanmaking van de verrichte prestatie op de voet van art. 6:203 BW ontstaat op het moment waarop ter uitvoering van die uitspraak is gepresteerd, ongeacht of daarbij sprake is van een prestatie als bedoeld in lid 1, lid 2, dan wel lid 3.”

Dat lijkt nogal evident, maar uit de conclusie-AG valt op te maken waarom deze vraag toch in cassatie is voorgelegd en waarom de Hoge Raad de moeite neemt zo expliciet duidelijkheid te verschaffen: het hof had uit een eerder arrest van de Hoge Raad afgeleid (of leek dat in elk geval te hebben gedaan) dat voor het ontstaansmoment van de vordering uit onverschuldigde betaling een verschil bestaat tussen betalingen (art. 6:203 lid 2 BW) en andere prestaties (art. 6:203 lid 3 BW) ter uitvoering van een later vernietigd vonnis. Andere prestaties zouden, volgens die interpretatie, pas een vordering opleveren per datum vernietiging, maar betalingen – met terugwerkende kracht – per datum betaling. Dat is dus niet juist: voor het ontstaansmoment van de vordering uit onverschuldigde betaling als gevolg van de vernietiging van een vonnis, maakt het niet uit of de ter uitvoering van dat vonnis verrichte prestatie een levering, een betaling of iets anders was.

Nagekomen baten

Blijkt na de slotuitdeling van een faillissement dat er nog baten van de boedel aanwezig zijn die ten tijde van de vereffening niet bekend waren, dan moet de curator, op bevel van de rechtbank, tot vereffening en verdeling daarvan overgaan op de grondslag van de vroegere uitdelingslijsten. Dat bepaalt art. 194 Fw, dat op grond van art. 356 lid 4 Fw ook geldt voor de bewindvoerder in een schuldsanering.

In deze zaak wist de curator dat er – als A niet met succes cassatie zou instellen – nog een bate zou zijn/volgen. X klaagt daarom in cassatie dat de bewindvoerder wist van de bate, en dat hij in elk geval de bate als voorwaardelijk had moeten opnemen op de slotuitdelingslijst. Als uitgangspunt is dat niet onjuist. De Hoge Raad:

“[D]e vaststelling van een slotuitdelingslijst in het stelsel van de Faillissementswet [heeft] de betekenis […] dat de curator respectievelijk de bewindvoerder daarmee te kennen geeft dat de gehele boedel is vereffend, en dat er dus geen grond meer is voor het voortduren van het faillissement dan wel de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Dit verklaart waarom in art. 194 Fw wordt gesproken van het geval dat blijkt dat nog baten van de boedel aanwezig zijn die “ten tijde der vereffening niet bekend waren”. Alle bekende baten dienen immers in de verdeling te worden betrokken.”

Maar dat is niet het hele verhaal:

“3.5.5. De curator respectievelijk de bewindvoerder kunnen bij de vereffening van de boedel echter komen te staan voor de keuze hoe zij moeten handelen ten aanzien van onzekere baten. Zij hebben de mogelijkheid af te zien van het (trachten te) realiseren van dergelijke baten, al dan niet voorlopig, mits zulks gebeurt op redelijke gronden. De bekendheid van onzekere baten staat niet eraan in de weg dat wordt overgegaan tot de vaststelling van de slotuitdelingslijst en aldus tot de beëindiging van het faillissement respectievelijk de toepassing van de schuldsaneringsregeling.

De gerechtvaardigde belangen van de schuldeisers in het faillissement respectievelijk de schuldsanering brengen mee dat indien een dergelijke bate nadien alsnog wordt gerealiseerd of realiseerbaar blijkt, deze wordt aangemerkt als een bate in de zin van art. 194 Fw (die “ten tijde der vereffening niet bekend” was) en toepassing wordt gegeven aan die bepaling. Deze bate is immers te rekenen tot het actief dat onder de schuldeisers in het faillissement respectievelijk de schuldsanering behoort te worden verdeeld.

Deze uitleg van art. 194 Fw strookt met de toelichting die is gegeven bij de invoering van art. 356 lid 4 Fw. Daarin is opgemerkt dat de regeling van de nagekomen baten voorziet in de mogelijkheid van correctie van het resultaat van een vereffening “op grond van later opkomende feiten en omstandigheden” (Kamerstukken II 2005-2006, 29 942, nr. 7, p. 47).

3.5.6. Art. 194 Fw heeft aldus niet slechts betrekking op baten die voor de curator respectievelijk de bewindvoerder ten tijde van de vereffening onbekend waren, maar ook op voor de curator respectievelijk de bewindvoerder op dat moment bekende baten die hij in de omstandigheden van het geval op redelijke gronden niet heeft gerealiseerd en daarom niet in de slotuitdeling heeft betrokken. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor in 3.5.5 is overwogen, valt daarbij te denken aan baten die ten tijde van de vereffening (nog) niet kunnen worden geïncasseerd, althans niet zonder aanzienlijke kosten en risico’s voor de boedel.”

Hoewel de bewindvoerder een nog onzekere bate als voorwaardelijk kan opnemen, is dat niet noodzakelijk als de bewindvoerder op redelijke gronden kan besluiten de bate niet in de slotuitdeling te betrekken. Dat was hier volgens het hof gebeurd, en de Hoge Raad laat dat oordeel in stand.
Share This