Selecteer een pagina

HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3338 

Het oordeel dat een beroep op de hardheidsclausule (art. 288 lid 3 Fw) niet slechts kan worden toegewezen als sprake is van een persoonlijke ontwikkeling in de sfeer van “echte gedragsaspecten” en dat een dergelijke ontwikkeling in dit geval niet aan de orde is getuigt ofwel van een onjuiste rechtsopvatting van art. 288 lid 3 Fw, ofwel is ontoereikend gemotiveerd. De door verzoeker aangevoerde omstandigheden (staken van onderneming, werken in loondienst en inschakeling schuldhulpverlening) kunnen aanleiding zijn voor toepassing van de hardheidsclausule. 

Feiten en procesverloop

Verzoeker drijft ruim tien jaar lang een eenmanszaak en exploiteert daarnaast gedurende anderhalf jaar tezamen met een compagnon een onderneming. Nadat er schulden zijn ontstaan, verzoekt de ex-ondernemer om toepassing van de schuldsaneringsregeling (de WSNP). Hij meent dat hij ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van een schuld van ruim € 150.000,- te goeder trouw is geweest in de zin van art. 288 lid 1 sub b Fw. Daarnaast beroept hij zich op de hardheidsclausule ex art. 288 lid 3 Fw, op grond waarvan het verzoek tot toelating tot de WSNP, ondanks het ontbreken van voormelde goede trouw, kan worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen. In dat kader voert hij aan dat hij de onderneming inmiddels heeft gestaakt, dat hij een dienstbetrekking in loondienst heeft aanvaard en dat hij schuldhulpverlening heeft geregeld om te voorkomen dat er nieuwe schulden ontstaan. Hierdoor leeft hij van een beperkt budget.

De rechtbank wijst het verzoek af, omdat goede trouw (art. 288 lid 1 Fw) ten aanzien van het ontstaan van een schuld van ruim € 150.000,- ontbreekt en er geen omstandigheden zouden zijn aangevoerd die een beroep op de hardheidsclausule ex art. 288 lid 3 Fw rechtvaardigen. Het hof bekrachtigt het vonnis en overweegt (r.o. 3.5):

“(…) Artikel 288 lid 3 Fw is aan de wet toegevoegd met het oog op – in het bijzonder, doch niet uitsluitend – personen met verslavings- en/of psychosociale problemen die de omstandigheden die bepalend waren voor het ontstaan of onbetaald laten van de schulden, onder controle hebben gekregen. Wil een beroep op artikel 288 lid 3 Fw slagen, dan is in het algemeen vereist dat de schuldenaar een zekere (persoonlijke) ontwikkeling heeft doorgemaakt die zich toont in het feit dat hij greep heeft gekregen op de omstandigheden die hem in financiële problemen hebben gebracht. Dat blijkt ook uit het feit dat artikel 288 lid 3 Fw volgens de wetsgeschiedenis vooral ziet op “echte gedragsaspecten” (Handelingen I 2006-2007, nr. 30, blz. 958).

De door [verzoeker] in dit verband aangevoerde argumenten – het staken van de onderneming en het aanvaarden van een dienstbetrekking in loondienst, het regelen van schuldhulpverlening en het voorkomen van het ontstaan van nieuwe schulden – vormen zonder bijkomende feiten en omstandigheden (die niet zijn gesteld of gebleken) niet de ontwikkeling waarop de wetgever met artikel 288 lid 3 Fw het oog heeft gehad. (…)”.

Verzoeker stelt daarop beroep in cassatie in, en klaagt – voor zover hier van belang – dat het hof een te beperkte uitleg heeft gegeven aan art. 288 lid 3 Fw. Volgens verzoeker had het hof de door hem aangevoerde omstandigheden bij de toepassing van art. 288 lid 3 Fw moeten betrekken.

Hoge Raad

De Hoge Raad casseert en oordeelt dat art. 288 lid 3 Fw ook geldt indien de argumenten van verzoeker (hij heeft de onderneming inmiddels gestaakt, werkt in loondienst en heeft schuldhulpverlening ingeschakeld om nieuwe schulden te voorkomen) juist blijken te zijn. Met zijn andersluidende oordeel heeft het hof dit miskend, danwel onvoldoende gemotiveerd waarom de door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden niet kunnen leiden tot toepassing van art. 288 lid 3 Fw. In dat kader verwijst de Hoge Raad naar eerdere jurisprudentie (vgl. HR 28 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4931; HR 22 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP4673) waarin eveneens sprake was van omstandigheden die, indien juist, aanleiding konden zijn voor toepassing van de hardheidsclausule. De Hoge Raad verwijst het arrest naar het Hof Den Bosch ter verdere behandeling en beslissing.

 

Share This