Selecteer een pagina

HR 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1404 (X/mr. H.M. Eijking q.q.)

Ingevolge art. 137e Fw kan een schuldeiser in verzet komen tegen de uitdelingslijst die is opgemaakt in het kader van een vereenvoudigde afwikkeling van het faillissement (art. 137a-137g Fw). Indien in de vereenvoudigde afwikkeling van het faillissement geen verificatievergadering is gehouden, kan een schuldeiser zich bij wege van verzet tegen de uitdelingslijst beroepen op een recht van voorrang, waarop hij eerder geen beroep heeft gedaan.

Feiten

Verzoeker heeft bij de curator in het faillissement van [A] B.V. een vordering ingediend van EUR 66.760,–. Hij heeft daarbij vermeld dat zijn vordering verband houdt met door of namens hem in privé betaalde belastingschulden van deze vennootschap. De rechter-commissaris heeft op de voet van art. 137a Fw bepaald dat de behandeling van concurrente vorderingen achterwege blijft en dat geen verificatievergadering wordt gehouden.

Verzoeker is op de voet van art. 137e Fw in verzet gekomen tegen de ter griffie neergelegde (slot)uitdelingslijst in het faillissement van genoemde vennootschap. Hij heeft kort gezegd aangevoerd dat in de uitdelingslijst ten onrechte geen bedrag is opgenomen voor de betaling van zijn vordering en dat hij op grond van art. 57 Invorderingswet 1990 is gesubrogeerd in het in art. 21 van die wet bedoelde voorrecht van de fiscus.

Oordeel rechtbank 

De rechtbank heeft verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet. Zij heeft daartoe overwogen dat de tekst van art. 137e Fw vrijwel letterlijk hetzelfde is als de tekst van art. 184 Fw. Dat wijst er volgens de rechtbank op dat de wetgever geen onderscheid in de behandeling van het verzet voor ogen heeft gestaan. Aan de andere kant, zo overweegt de rechtbank, geldt dat in de situatie van art. 137e Fw geen sprake is van een verificatievergadering, zodat ook geen proces-verbaal als bedoeld in art. 121 Fw wordt opgemaakt, dat kracht van gewijsde krijgt.

De rechtbank overweegt vervolgens dat uit de beschikking van de Hoge Raad van 9 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2728, NJ 1999/467 kan worden afgeleid dat de Hoge Raad de mogelijkheid om alsnog een beroep op een voorrang te doen heeft willen beperken. Volgens de rechtbank dient in de omstandigheden van dit geval – waarin geen verificatievergadering heeft plaatsgevonden waarop over de voorrang ten gronde is beslist, maar verzoeker bij indiening van zijn vordering ook geen voorrang heeft ingeroepen en ook later geen beroep op voorrang heeft gedaan – op overeenkomstige wijze als het geval is bij een verzet ex art. 184 Fw te worden beslist. Dit betekent dat een verzet tegen de uitdelingslijst ex art. 137e Fw er niet toe kan strekken alsnog een beroep te doen op een recht op voorrang, waarop eerder geen beroep is gedaan.

Het geding in cassatie 

Verzoeker klaagt dat de rechtbank heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het in art. 137e Fw bedoelde verzet niet ertoe kan strekken een beroep te doen op een recht van voorrang waarop niet eerder een beroep is gedaan.

De Hoge Raad oordeelt dat deze klacht terecht is voorgesteld (r.o. 3.3.1). In r.o. 3.3.2. wordt eerst ingegaan op de (on)mogelijkheid voor de schuldeiser om zich in het systeem van vereenvoudigde afwikkeling van het faillissement te beroepen op een recht van voorrang.

Ingevolge art, 137e Fw kan een schuldeiser in verzet komen tegen de uitdelingslijst die is opgemaakt in het kader van een vereenvoudigde afwikkeling van het faillissement (art. 137a-137g Fw). Behoudens omstandigheden waarvan in het onderhavige geval geen sprake is, is bij de vereenvoudigde afwikkeling uitgangspunt dat geen verificatievergadering plaatsvindt. Een schuldeiser heeft dan ook geen mogelijkheid zich ter gelegenheid van zodanige vergadering op een recht van voorrang te beroepen. Evenmin kan een bevoorrechte vordering in een van een zodanige vergadering op te maken proces-verbaal met kracht van gewijsde worden erkend of, in geval van betwisting van de voorrang, daarover eerder dan bij wege van verzet tegen de uitdelingslijst een beslissing van de rechter worden verkregen (vgl. art. 121-122 Fw).

In dit systeem van vereenvoudigde afwikkeling past dat het aan de curator is om na te gaan welke vorderingen bevoorrecht zijn of zijn gedekt door pand, hypotheek of retentierecht, en daarover in geval van geschil in overleg te treden met de desbetreffende schuldeiser (art. 137b Fw).”

In r.o. 3.3.3 overweegt de Hoge Raad dat uit het bovenstaande volgt dat bij de vereenvoudigde afwikkeling van een faillissement waarin geen verificatievergadering is gehouden, geen sprake is van een situatie die op één lijn kan worden gesteld met die van de door de rechtbank genoemde beschikking van de Hoge Raad van 9 oktober 1998. Voorts vindt de opvatting van de rechtbank dat de schuldeiser die meent een recht van voorrang te hebben, zich daarop bij de indiening van zijn vordering bij de curator moet beroepen, mede gelet op het bepaalde in art. 137b Fw, geen steun in de wet. Volgens de Hoge Raad heeft de rechtbank dan ook ten onrechte verzoeker de mogelijkheid onthouden om bij wege van verzet tegen de uitdelingslijst aanspraak te maken op voorrang, op de grond dat hij van zijn aanspraak op voorrang geen melding heeft gemaakt bij de indiening van zijn vordering.

De Hoge raad vernietigt – conform de conclusie van A-G Timmerman – de beschikking van de rechtbank en verwijst de zaak naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.

Share This