HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:523 (Staat/Norma c.s.)

De Hoge Raad heeft het oordeel van het hof Den Haag in stand gelaten dat de Staat in de periode 2007-2012 ook mp3-spelers en harddiskrecorders met een thuiskopieheffing had moeten belasten.

De Auteursrechtrichtlijn geeft lidstaten de mogelijkheid in hun nationale wetgeving een beperking op te nemen op het auteursrecht en de naburige rechten, die inhoudt, kort gezegd, dat particulieren voor eigen gebruik beschermde werken mogen kopiëren, zolang de makers en uitvoerenden van die werken een ‘billijke compensatie’ voor dat gebruik ontvangen. Nederland heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De billijke compensatie wordt bijeengebracht uit heffingen op lege gegevensdragers (cd’s, dvd’s, et cetera) en geïnd door Stichting de Thuiskopie. Die stichting verdeelt de bedragen weer over rechthebbendenorganisaties zoals nabuurrechthebbendenorganisatie Norma.

In 2007-2012 is de inhoud van de amvb’s waarin was vastgelegd op welke typen dragers een thuiskopieheffing rustte en wat de hoogte daarvan was, niet gewijzigd. Norma heeft daarop de Staat in rechte betrokken, omdat de amvb’s geen heffing legde op mp3-spelers en harddiskrecorders, maar alleen op al langer bestaande dragers als (opneembare) cd’s en dvd’s. Norma voerde aan dat het gebruik van digitale audio- en videospelers sterk was toegenomen ten koste van de afzet van recordable cd’s en dvd’s, en vorderde voor recht te verklaren dat dat beleid onrechtmatig is en dat de Staat de door dat beleid aan de rechthebbenden toegebrachte schade dient te vergoeden. De rechtbank heeft die vorderingen afgewezen, maar het gerechtshof Den Haag heeft de vorderingen toegewezen.

Heffing op mp3-spelers en harddiskrecorders

Het hof stelde voorop dat de Staat op grond van de Auteursrechtrichtlijn verplicht is te zorgen voor een stelsel dat ertoe leidt dat de rechthebbenden de billijke vergoeding ontvangen waarop zij aanspraak hebben. Dat werd door de Staat op zichzelf niet betwist, maar de Staat betoogde dat die billijke vergoeding al werd gerealiseerd uit de heffingen die er wel waren: op cd’s en dvd’s. De Staat beriep zich daarbij onder meer op het Padawan-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarin is overwogen dat lidstaten de vrijheid hebben om de vorm,  de wijze van financiering en inning en het niveau van de ‘billijke compensatie’ te bepalen. Volgens de Staat stond het hem daarom vrij om nog geen heffing te leggen op mp3-spelers en harddiskrecorders, zolang de rechthebbenden hun billijke vergoeding maar uit de overige heffingen ontvingen en de interne markt niet wordt verstoord. Het hof oordeelde echter dat wanneer een of meer categorieën die in meer dan verwaarloosbare mate voor het maken van thuiskopieën worden gebruikt en daardoor schade voor de rechthebbenden veroorzaken, toch niet in de thuiskopieheffing worden betroffen,van een coherent stelsel niet kan worden gesproken.

De Hoge Raad laat dit oordeel in stand:

“4.3.1 […] Het recht op een billijke vergoeding is niet slechts in het leven geroepen met het oog op de goede werking van de interne markt; het beoogt mede een rechtvaardig evenwicht te waarborgen tussen de rechten en belangen van naburig rechthebbenden en de rechten en belangen van de gebruikers van beschermd materiaal. Het recht op het ontvangen van een billijke compensatie strekt immers ter vergoeding van het mogelijk nadeel dat de naburig rechthebbende lijdt als gevolg van de reproductiehandeling voor privégebruik. Deze doelstelling stelt ook beperkingen aan de beleidsvrijheid van de lidstaten bij het bepalen van de inhoud van een vergoedingsregeling als de onderhavige. Weliswaar kan de Staat de vorm, de wijze van financiering en inning en de hoogte van de ‘billijke vergoeding’ bepalen, maar die beleidsvrijheid vindt haar grenzen in de verplichting van de Staat om de parameters van die vergoeding op niet-incoherente wijze in te vullen, alsmede in de resultaatsverplichting van de Staat dat de benadeelde rechthebbenden daadwerkelijk betaling van de billijke vergoeding wordt verzekerd.

4.3.2 Hieruit vloeit voort dat het onderdeel een verdergaande beleidsvrijheid tot uitgangspunt neemt dan wordt toegelaten op grond van het Unierecht. Uitgaande van de hiervoor in 4.3.1 weergegeven juiste rechtsopvatting over het doel van de regeling, heeft het hof zonder schending van enige rechtsregel kunnen oordelen dat, indien de heffingen waaruit de billijke compensatie wordt gefinancierd volledig op één of twee (in betekenis afnemende) dragers rusten en in het geheel niet op andere (in belang toenemende) dragers, niet kan worden gesproken van een coherent stelsel, nu in dat geval zonder goede reden – en dus op willekeurige wijze – de lasten eenzijdig worden gelegd op de gebruikers van cd’s en dvd’s. In het oordeel van het hof ligt besloten dat bovendien niet kan worden aangenomen dat de bestaande heffingen, waarvan de opbrengst door de zojuist geschetste ontwikkelingen en de bevriezing van de tarieven gestaag afneemt, nog steeds tot een billijke compensatie leiden.”

Bevel tot wetgeving

Verder had het hof geoordeeld dat in de schadestaatprocedure zal worden gedebatteerd over de hoogte van de heffingen die de Staat had moeten vaststellen. Deze had in ieder geval niet nul mogen zijn, aldus het hof. De Staat voerde in cassatie aan dat dit oordeel neerkwam op een (indirect) bevel tot wetgeving, omdat de Staat naar aanleiding van dit oordeel in de toekomst jegens Norma c.s. – en vanwege het gelijkheidsbeginsel in beginsel ook jegens andere rechthebbenden – in een billijke vergoeding moet voorzien waarvan een (meer dan nihil bedragende) heffing op digitale audiospelers en digitale videorecorders deel uitmaakt. Dat leidt er toe dat de Staat niet anders kan dan voor de toekomst de bedoelde heffing in (nieuwe) amvb’s vast te leggen. Anders zal hij immers in de visie van het hof, althans zolang er niet daadwerkelijk technische voorzieningen ten aanzien van deze dragers zijn getroffen, onrechtmatig blijven handelen jegens Norma c.s.

De Hoge Raad deelt deze opvatting van de Staat niet:

“De verklaring voor recht dat het uitvaardigen van de amvb’s jegens Norma c.s. onrechtmatig is wegens strijd met de overeenkomstig de Auteursrechtrichtlijn uit te leggen Aw en WNR, mist het karakter van een bevel wetgeving tot stand te brengen. De verklaring voor recht geldt immers alleen jegens Norma c.s. en heeft niet tot gevolg dat de amvb’s moeten worden gewijzigd of ingetrokken. De verklaring voor recht laat de Staat voorts alle ruimte te voorzien in regelgeving die wel in overeenstemming met de genoemde richtlijn- en wetsbepalingen is, zodat de beleidsvrijheid van de Staat daardoor niet aangetast wordt.”

Proceskosten

Norma heeft vergoeding van volledige proceskosten gevorderd op de voet van art. 1019h Rv. Volgens de Staat is dat artikel in een zaak als deze, waarin Norma als grondslag voor haar vordering tot schadevergoeding aanvoert dat Europese wetgeving onjuist is geïmplementeerd, niet van toepassing, omdat geen sprake is van “de handhaving van rechten van intellectuele eigendom”. De Hoge Raad houdt de beslissing omtrent de proceskosten aan, omdat hij in afwachting is van het antwoord op een door hem gestelde prejudiciële vraag in de zaak ACI Adam/Thuiskopie over de toepasselijkheid van art. 1019h Rv (een implementatie van de Europese Handhavingsrichtlijn) waarop het antwoord mogelijk ook relevant is voor de toepasselijkheid van dat artikel in Staat/Norma.

De Staat is in cassatie bijgestaan door Martijn Scheltema en de auteur, en in feitelijke instanties door Eric Daalder.

Share This