Selecteer een pagina

HR 15 mei 2020 ECLI:NL:HR:2020:885

 De omstandigheid dat de Ontvanger bij toepassing van Roemeens huwelijksvermogensrecht wordt bemoeilijkt in de uitoefening van zijn invorderingstaak respectievelijk dat hij zich vervolgens slechts kan verhalen op hetgeen de belastingplichtige bij de verdeling op grond van Roemeens huwelijksvermogensrecht wordt toebedeeld, raakt niet aan fundamentele beginselen van de Nederlandse rechtsorde.

In deze zaak zoekt de Ontvanger verhaal op zich in Nederland bevindende goederen van de huwelijksgemeenschap van X en haar (inmiddels) ex-echtgenoot Y voor een belastingschuld van Y van € 524.220,-, exclusief invorderingsrente en vervolgingskosten.

Op het huwelijksgoederenregime van X en Y is Roemeens recht van toepassing. Zij zijn naar Roemeens recht in gemeenschap van goederen gehuwd. Naar het in casu toepasselijke (oud) Roemeense recht dient voor een privéschuld van een echtgenoot eerst het privévermogen van die echtgenoot te worden uitgewonnen, alvorens – na verdeling van de huwelijksgemeenschap te hebben gevorderd – verhaal kan worden genomen op de aan die echtgenoot toebedeelde goederen van de huwelijksgemeenschap.

De Ontvanger heeft zich primair op het standpunt gesteld dat een belastingschuld als de onderhavige naar Roemeens recht als een gemeenschapsschuld moet worden aangemerkt, waarvoor de zich in Nederland bevindende goederen van de huwelijksgemeenschap (rechtstreeks) kunnen worden uitgewonnen. Voor zover ervan zou moeten worden uitgegaan dat de onderhavige belastingschuld naar Roemeens recht als een privéschuld moet worden aangemerkt, dan betekent dat evenwel niet dat, zoals X heeft gesteld, de Ontvanger zich eerst op (mogelijkerwijs) zich in Roemenië bevindende privégoederen van Y dient te verhalen, zo heeft de Ontvanger betoogd. De Ontvanger heeft in dit verband – onder meer – een beroep gedaan op de openbare orde-exceptie van art. 10:6 BW, op grond waarvan het Roemeense recht buiten toepassing moet worden gelaten. Art. 10:6 BW bepaalt dat vreemd recht niet wordt toegepast, voor zover de toepassing ervan kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.

Het hof heeft veronderstellenderwijs tot uitgangspunt genomen dat de belastingschuld naar Roemeens recht geen gemeenschapsschuld is en dat toepassing van Roemeens recht ertoe leidt dat de Ontvanger eerst verhaal zou moeten zoeken op privégoederen van Y in Roemenië en – daarvan uitgaande – geoordeeld dat dit (veronderstelde) gevolg van Roemeens recht in de omstandigheden van dit geval onverenigbaar is met de Nederlandse openbare orde. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen: de nauwe verbondenheid van het onderhavige geval met de Nederlandse rechtsorde, de financiële en (materiële) fiscale verbondenheid van X en Y ten tijde van hun huwelijk, het met het aan de Ontvanger opgedragen verhaal van belastingschulden gemoeide zwaarwegende maatschappelijke belang, de geringe waarde van een appartement in Roemenië, waarvan X heeft gesteld dat Y dat in privé-eigendom heeft, alsmede de inlichtingen die de Ontvanger heeft ontvangen van de Roemeense belastingautoriteiten, waaruit volgt dat er in Roemenië (überhaupt) geen onroerend goed op naam van Y staat geregistreerd.

Dit oordeel houdt echter geen stand in het door X ingestelde cassatieberoep. Uit de door het hof aan zijn oordeel ten grondslag gelegde omstandigheden volgt volgens de Hoge Raad niet dat toepassing van het Roemeense huwelijksvermogensrecht in dit concrete geval kennelijk onverenigbaar is met fundamentele beginselen van de Nederlandse rechtsorde. Het college overweegt:

“(…) De sterke band van [X] en [Y] met Nederland op fiscaal, economisch en maatschappelijk gebied betreft de betrokkenheid van de Nederlandse rechtsorde bij het geschil met de Ontvanger. Echter, niet valt in te zien welk fundamenteel beginsel van de Nederlandse rechtsorde in het geding komt bij toepassing van het Roemeense huwelijksvermogensrecht. De omstandigheid dat de Ontvanger bij toepassing van dat recht wordt bemoeilijkt in de uitoefening van zijn invorderingstaak omdat dit hem mogelijk verplicht eerst in Roemenië verhaal te zoeken op privégoederen van [Y], alvorens hij verdeling van verdeling van de gemeenschap kan vorderen, en dat hij zich vervolgens slechts kan verhalen op hetgeen [Y] bij die verdeling wordt toebedeeld, raakt niet aan fundamentele beginselen van de Nederlandse rechtsorde.”

Volgt vernietiging en verwijzing. De Ontvanger werd in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk en Mirella Peletier.

Share This