Selecteer een pagina

HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:161 (X c.s./Waterschap Scheldestromen)

Op grond van het overgangsrecht bij de Crisis- en Herstelwet is op onteigeningsbesluiten die na inwerkingtreding van die wet ter inzage zijn gelegd, art. 62 Onteigeningswet (nieuw) van toepassing. In deze bepaling is de onteigening ter zake van waterkeringen opgenomen. De nieuwe bepaling biedt volgens de Hoge Raad geen grond om te eisen dat de planologische basis voor bijkomende voorzieningen voortvloeit uit een maatregel genoemd in art. 62 lid 2, nu deze eis niet volgt uit art. 28 Wet op de waterkering

Deze onteigeningszaak betreft een onteigening in Vlissingen door het Waterschap Scheldestromen op grond van art. 62 Onteigeninsgwet. De onteigening geschiedt ten behoeve van de versterking van het dijk- en duinvak Nolle-Westduin. X c.s. hebben zich verweerd tegen de onteigening. Hun verweer komt erop neer dat het Koninklijk Besluit in strijd met het recht tot stand is gekomen. Zij voeren aan dat art. 62 Ow geen basis biedt voor de aanwijzing ter onteigening van gronden voor bijkomende voorzieningen die op basis van een vrijstelling op de voet van art. 19 Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) (oud) zijn vergund. De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft dit verweer verworpen en de vervroegde onteigening uitgesproken.

De Hoge Raad laat de beslissing van de rechtbank in stand. Wel is de Hoge Raad van oordeel dat de rechtbank ten onrechte art. 62 (oud) Ow op deze onteigening van toepassing heeft geacht. In verband met de overgangsbepaling van art. 5.4 lid 1 van de Crisis- en herstelwet (Wet van 18 maart 2010, Stb. 135) is art. 62 (oud) Ow alleen van toepassing op een onteigeningsbesluit waarvan het ontwerp ter inzage is gelegd voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Crisis- en herstelwet. In dit geval heeft het ontwerp echter ter inzage gelegen vanaf 12 juli 2012. Dit is na inwerkingtreding van die wet op 31 maart 2010 (Stb. 2010, 137).

Niet in geschil is dat op deze onteigeningsprocedure de art. 27 en 28 van de inmiddels vervallen Wet op de waterkering (Wwk) nog van toepassing zijn. Deze bepalingen hadden tot doel de bekorte onteigeningsprocedure van Titel II van de Ow met enige vereenvoudigingen van toepassing te laten zijn op zowel de voorzieningen ter versterking van de waterkering als de bijkomende voorzieningen bedoeld in art. 7 lid 2, onder b en c, Wwk. De voorzieningen ten behoeve van natuurcompensatie waar het hier om gaat, behoren daartoe. De bekorte procedure kon onder de Wwk worden toegepast ongeacht de planologische basis voor de desbetreffende voorziening, dus ook indien die basis was gelegen in een vrijstelling op grond van art. 19 WRO (oud), aldus de Hoge Raad. Noch de Wwk, noch art. 62 (oud) Ow hield wat betreft de planologische basis een beperking in.

Bij de Crisis- en herstelwet is aan art. 62 Ow een tweede lid toegevoegd. Daarin is bepaald dat onder de onteigening voor waterkeringen als bedoeld in art. 62 lid 1 Ow ook wordt begrepen de onteigening voor de aanleg en verbetering van de in het eerste lid bedoelde werken en rechtstreeks daaruit voortvloeiende bijkomende voorzieningen. Daarmee werd mogelijk gemaakt wat in een geval als hier reeds mogelijk was op grond van de art. 27 en 28 Wwk, aldus de Hoge Raad. Anders dan art. 28 Wwk, bepaalt art. 62 lid 2 Ow dat de bijkomende voorzieningen worden getroffen ter uitvoering van een bestemmingsplan, een van het bestemmingsplan of de beheersverordening afwijkende omgevingsvergunning, of een inpassingsplan. In tegenstelling tot hetgeen kennelijk aan het standpunt van X c.s. ten grondslag ligt, wordt in het stelsel van de Onteigeningswet de grondslag voor deze onteigening niet geboden door art. 62 lid 2 Ow, maar door art. 14 Grondwet in samenhang met art. 1 Ow. Art. 62 lid 2 Ow dient (net als art. 28 in samenhang met art. 27 Wwk) slechts om de onteigening voor bijkomende voorzieningen onder de procedure van Titel II of IIa Ow te brengen (vgl. Kamerstukken II 2009-2010, 32 127, nr. 3, p. 78). In zoverre vormt de omstandigheid dat deze onteigening plaatsvindt onder het huidige art. 62 Ow volgens de Hoge Raad geen grond om te eisen dat de planologische basis voortvloeit uit een maatregel genoemd in het tweede lid van dat artikel. Een zodanige eis volgt immers niet volgt uit het hier eveneens toepasselijke art. 28 Wwk.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt naar het oordeel van de Hoge Raad ook niet van enig inhoudelijk argument voor de beperking die X c.s. voorstaan (Kamerstukken II, 2009-2010, 32 127, nr. 3, p. 78). Daaruit blijkt immers dat in art. 62 lid 2 Ow een koppeling met drie specifieke maatregelen is gelegd alleen omdat ervan werd uitgegaan dat dit de maatregelen waren die zich in de praktijk voordoen. Niet blijkt dat de wetgever bij deze opsomming het aanbrengen van een beperking voor ogen heeft gestaan. Dat bij de opsomming geen rekening is gehouden met de vrijstelling op grond van art. 19 WRO (oud) is begrijpelijk, aangezien de in die bepaling geregelde rechtsfiguur met ingang van 1 juli 2008 niet langer bestond (KB van 16 juni 2008, Stb. 2008, 227).

Share This