Selecteer een pagina

HR (Belastingkamer) 18 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:917 (College B&W gemeente Sittard-Geleen/belanghebbende)

Het heffen van een gemeentelijke hondenbelasting is niet in strijd met het discriminatieverbod. Het onderscheid tussen hondenbezitters en andere personen is volgens de Hoge Raad gerechtvaardigd. Er hoeft geen relatie te zijn tussen de opbrengst van de hondenbelasting en de kosten van het opruimen van hondenpoep. Hondenbelasting is een algemene belasting ten behoeve van de verwerving van overheidsinkomsten. 

Feiten en procesverloop

Belanghebbende heeft een hond en woont in de gemeente Sittard-Geleen. Voor het jaar 2010 heeft de gemeente (op grond van haar Verordening hondenbelasting) een aanslag hondenbelasting van € 55,44 opgelegd. Het door belanghebbende tegen deze aanslag gemaakte bezwaar werd door de gemeente afgewezen. Vervolgens ging de hondenbezitter in beroep bij de rechtbank Roermond.

De rechtbank heeft in haar uitspraak van 6 april 2012 geoordeeld dat het heffen van hondenbelasting niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij Hof ‘s-Hertogenbosch. Het Hof heeft in zijn uitspraak van 24 januari 2013 (ECLI:NL:GHSHE:2013:BY9350) geoordeeld dat de hondenbelasting strijdig is met het discriminatieverbod van art. 1 van de Grondwet. Het Hof achtte het maken van onderscheid tussen hondenbezitters en niet-hondenbezitters slechts toegestaan als: (1) de kosten die het hondenbezit voor de gemeente meebrengt van wezenlijke betekenis zijn geweest voor het heffen van de hondenbelasting en (2) de hoogte van belasting mede is afgestemd op die kosten. Omdat de gemeente naar het oordeel van het Hof niet aan deze voorwaarden voldoet, bestaat er volgens het Hof geen objectieve en redelijke grond om de hondenbelasting alleen van hondenbezitters te heffen. Het Hof vernietigde de aanslag hondenbelasting. Het College van B&W van de gemeente ging in cassatie.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad stelt voorop dat de gemeentelijke verordening is gebaseerd op art. 226 lid 1 Gemeentewet. Die bepaling biedt de mogelijkheid om een hondenbelasting te heffen voor het houden van een hond. Het in de verordening gemaakte onderscheid tussen houders van honden en andere personen stemt daarmee overeen met het onderscheid dat in art. 226 lid 1 Gemeente wet (een wet in formele zin) wordt gemaakt. Gelet op het grondwettelijk toetsingsverbod kon dit onderscheid daarom – anders dan het Hof oordeelde – niet worden getoetst aan de Grondwet.

Wel kan het onderscheid naar het oordeel van de Hoge Raad worden getoetst aan de discriminatieverboden in art. 26 IVBPR en art. 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM. Daarbij geldt dat aan de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. De bevoegdheid tot het heffen van hondenbelasting die de wet aan gemeenten geeft, is mede ingegeven door de kosten die voor gemeenten voortvloeien uit de bevuiling van openbare wegen en plaatsen door honden. De wetgever kon daarbij in redelijkheid uitgaan van de veronderstelling dat gemeenten in het algemeen kosten zullen moeten maken als gevolg van dergelijke bevuiling. Bij andere door mensen gehouden dieren pleegt bevuiling van openbare wegen en plaatsen zich niet of in mindere mate voor te doen, aldus de Hoge Raad. Daarom is het onderscheid tussen houders van honden en andere personen naar het oordeel van de Hoge Raad gerechtvaardigd en vormt het geen discriminatie. Dit neemt volgens de Hoge Raad niet weg dat de hondenbelasting is voorzien als een algemene belasting ten behoeve van de verwerving van inkomsten door de gemeente. Het is volgens de Hoge Raad dus niet nodig dat er een relatie is tussen de opbrengst van de hondenbelasting en de kosten die voor de gemeente aan de bevuiling door honden zijn verbonden.

Slotsom

De gemeente mag kortom een hondenbelasting heffen die uitsluitend is bestemd voor de algemene middelen. Daarbij hoeft geen relatie te worden gelegd met de kosten die voor de gemeente worden opgeroepen door het houden van honden. Een belangrijk arrest van de Hoge Raad, ook voor de andere 291 gemeenten die een hondenbelasting heffen. De totale opbrengst van de hondenbelasting was in 2012 61 miljoen euro (http://www.vng.nl/files/vng/20122711_hondenbelasting.pdf). Daarnaast lijkt de uitkomst van deze zaak van belang voor andere belastingen met een zuiver fiscaal doel waaraan slechts een (relatief) kleine groep belastingplichtigen is onderworpen. Zou het oordeel van de Hoge Raad anders hebben geluid, dan was bepaald niet ondenkbaar dat belastingplichtigen vergelijkbare procedures zouden zijn gestart met betrekking tot bijvoorbeeld de forensenbelasting of de toeristenbelasting (vgl. Monsma in zijn noot bij de uitspraak van het Hof in Belastingblad 2013/91).

Het College van B&W van de gemeente Sittard-Geleen is in de cassatieprocedure bijgestaan door Nicoline Bergman en de auteur.

Share This