Selecteer een pagina

HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:293

Ook buiten het geval dat het rechtsfeit of de rechtshandeling waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd is neergelegd in een door een bevoegde ambtenaar opgemaakte akte, kan grond bestaan voor erkenning daarvan. Daarvoor kan aanleiding bestaan als met voldoende zekerheid vaststaat dat naar buitenlands recht van het rechtsfeit of de rechtshandeling sprake is. Op degene die zich daarop beroept, rusten de stelplicht en bewijslast terzake. Voorts moeten er geen gronden zijn die zich tegen de erkenning verzetten.

De zaak

Een inmiddels al geruime tijd volwassen, in Australië geboren nakomeling van een Nederlandse man wenst op de voet van art. 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (Rijkswet) vaststelling van zijn Nederlandse nationaliteit. De verzoeker is in 1977 geboren in Australië uit een Australische moeder. Zijn biologische vader is een in Australië woonachtige Nederlander die ten tijde van zijn geboorte in Australië gehuwd was met een andere vrouw. Dit huwelijk is in 2008 door echtscheiding ontbonden. Ruim vijf jaar later is de vader gehuwd met de moeder.

Uitgangspunt in cassatie is dat de verzoeker is geboren en getogen in een feitelijke gezinssituatie met zijn biologische Nederlandse vader en zijn moeder. In december 2002 hebben de moeder en biologische vader het vaderschap bevestigd door ondertekening van “statutory declarations”. In december 2002 is de biologische vader als vader opgenomen in de geboorteakte van de verzoeker. In 2010 is verzoekers geslachtsnaam gewijzigd in die van zijn vader (in plaats van die van zijn moeder).

De rechtbank heeft het verzoek afgewezen, samengevat, omdat de familierechtelijke betrekkingen die in Australië op grond van de Children (Equality of Status) Act 1976 van New South Wales tot stand zijn gekomen, in Nederland als zodanig niet worden erkend. Dergelijke betrekkingen kunnen slechts erkend worden wanneer zij zijn neergelegd in een door een bevoegde ambtenaar opgemaakte akte. De ten tijde van de geboorte (verondersteld) ontstane familierechtelijke betrekking is pas in 2002  opgenomen in de geboorteakte, de verzoeker was toen al meerderjarig. Een Australische rechterlijke uitspraak, van het Supreme Court van 9 juli 2013 dient op grond van art. 10:100 lid 1 BW te worden erkend. Daarmee staat vast dat de biologische vader vanaf de geboorte van verzoeker zijn juridische vader is. Dit betekent echter niet dat verzoeker het Nederlanderschap heeft verkregen. Hij was ten tijde van die uitspraak meerderjarig. Het is in strijd met art. 4 lid 1 van de Rijkswet – dat bij meerderjarigheid geen Nederlanderschap toelaat bij een (op verwekkerschap gebaseerde) gerechtelijke vaststelling van het vaderschap – om wel het Nederlanderschap toe te kennen bij een na het bereiken van de meerderjarigheid in het buitenland gerechtelijk vastgestelde familierechtelijke betrekking.

Het oordeel van de Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt allereerst dat de vraag of verzoeker bij zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, dient te worden beoordeeld aan de hand van de toenmalige Wet op het Nederlanderschap en ingezetenschap (WNI). Art. 1, aanhef en onder a, WNI bepaalde dat Nederlander door geboorte is “het wettig, gewettigd of door den vader erkend natuurlijk kind, waarvan tijdens de geboorte de vader den staat van Nederlander bezit”. Volgens de Hoge Raad komt deze bepaling erop neer dat tussen de vader en het kind een familierechtelijke betrekking dient te bestaan, waarbij hij wijst op het huidige art. 1, aanhef en onder d, van de Rijkswet.

Naar Nederlands internationaal privaatrecht kunnen onder bepaalde voorwaarden in het buitenland ontstane of vastgestelde familierechtelijke betrekkingen hier te lande worden erkend, behoudens bijzondere omstandigheden, zoals strijd met de openbare orde.

De rechtbank heeft volgens de Hoge Raad ten onrechte geoordeeld dat die betrekking slechts kan worden erkend als zij is neergelegd in een door een bevoegde ambtenaar opgemaakte akte, wat in dit geval niet bij de geboorte of tijdens de minderjarigheid van verzoeker is gebeurd. Kennelijk berust dit oordeel op een toepassing van art. 10:101 lid 1 BW, dat erkenning voorschrijft van buitenslands tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte. Ook buiten het geval dat het rechtsfeit of de rechtshandeling is neergelegd in een door een bevoegde ambtenaar opgemaakte akte, kan echter grond bestaan voor erkenning daarvan (vgl. Kamerstukken II 2009-2010, 32 137, nr. 3, p. 60). Naar volgt uit HR 31 januari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0493, NJ 1993/261, rov. 3.2.3, kan voor dit laatste aanleiding bestaan als met voldoende zekerheid vaststaat dat naar buitenlands recht van het rechtsfeit of de rechtshandeling sprake is. Op degene die zich daarop beroept, rusten de stelplicht en bewijslast terzake. Voorts moeten er geen gronden zijn die zich tegen de erkenning verzetten.

Dan is vervolgens de vraag of verzoeker bij zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Op grond van art. 1, aanhef en onder a, WNI wordt de Nederlandse nationaliteit uitsluitend bij de geboorte verkregen indien sprake is van een wettig kind (in geval van erkenning en wettiging vindt de verkrijging immers nadien plaats). De erkenning van een in Australië bij de geboorte van rechtswege tot stand gekomen familierechtelijke betrekking tussen verzoeker en zijn biologische vader kan, aldus de Hoge Raad, alleen tot verkrijging van het Nederlanderschap bij geboorte door verzoeker leiden indien deze familierechtelijke betrekking op één lijn is te stellen met die welke naar Nederlands recht bestaat tussen de vader en het wettige kind. De Hoge Raad beslist dat voor dit laatste voldoende is dat komt vast te staan dat tussen de vader en de moeder een band heeft bestaan die met een huwelijk op één lijn kan worden gesteld. Nu in de stellingen van verzoeker besloten ligt dat in dit geval aan deze eis is voldaan, kan de beschikking van de rechtbank niet in stand blijven.

De Hoge Raad doet de zaak zelf af. Vast staat dat naar het recht van New South Wales een familierechtelijke betrekking bestaat tussen verzoeker en zijn biologische vader  vanaf de geboorte van verzoeker. De Hoge Raad meent dat er geen grond is dit rechtsfeit niet te erkennen:

“3.5.3 (..) Vast staat dat [verzoeker] is geboren en getogen in een feitelijke gezinssituatie met zijn ouders (…). Daarom kan niet worden geoordeeld dat erkenning van de familierechtelijke betrekking tussen [verzoeker] en [zijn biologische vader] in strijd zou komen met de Nederlandse openbare orde. Naar Nederlands recht zou [de biologische vader] bevoegd zijn geweest om [verzoeker] te erkennen, ondanks het feit dat hij was gehuwd (vgl. HR 10 november 1989, ECLI:NL:HR:1990: AC1689, NJ 1990/450 en het naar aanleiding van dit arrest tot stand gekomen art. 1:204 lid 1, aanhef en onder e, (oud) BW, zoals dat heeft gegolden tot 2014).

3.5.4 Uit het feit dat [verzoeker] is geboren en getogen in een feitelijke gezinssituatie met zijn ouders, volgt tevens dat de familierechtelijke betrekking waarin hij tot zijn vader staat, (…) op één lijn is te stellen met die welke naar Nederlands recht bestaat tussen de vader en het wettige kind.”

De Staat is in cassatie bijgestaan door de auteur.

Share This