Selecteer een pagina

6 december 2019 ECLI:NL:HR:2019:1908

 Het voor accountants wettelijk verplichte lidmaatschap van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) is niet in strijd met art. 11 EVRM, omdat de NBA als een publiekrechtelijke vereniging moet worden aangemerkt en geen vereniging is in de zin van die bepaling. Taak advocaat na verzoek om spreektijdverlenging pleidooi ex art. 4.4 Procesreglement gerechtshoven.

In de Wet op het accountantsberoep is het lidmaatschap van de door die wet in het leven geroepen Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) verplicht gesteld voor diegenen die zich in het accountantsregister willen inschrijven. Zonder de inschrijving in het accountantsregister mag de accountantstitel Registeraccountant (RA) of Accountant-Administratieconsulent (AA), dan wel de benaming accountant, niet worden gevoerd.

Eiseres tot cassatie, de vereniging ‘Orde van Registeradviseurs Nederland’ (OvRAN) is een door accountants opgerichte beroepsvereniging.

Inzet van de onderhavige, door OvRAN tegen de Staat ingestelde procedure vormde – onder meer – de vraag, of de bepalingen in de Wet op het accountantsberoep (Wab), die het verplichte lidmaatschap van de NBA voorschrijven, in strijd zijn met het in art. 11 EVRM gewaarborgde recht van vrijheid van vereniging.

In beide feitelijke instanties is deze vraag, in lijn met het standpunt van de Staat, ontkennend beantwoord.

In dit verband is van belang dat de desbetreffende vraag al eens is beantwoord door de strafkamer van de Hoge Raad. Zie zijn uitspraak van 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2910, RvdW 2017/81, AR 2016/4033. De strafkamer van de Hoge Raad sanctioneerde in die uitspraak het oordeel van de appelrechter, dat de NBA niet kan worden aangemerkt als een “association” in de zin van art. 11 EVRM en dat het bij wet verplicht gestelde lidmaatschap van de NBA voor accountants die in het accountantsregister zijn ingeschreven niet in strijd is met art. 11 EVRM. Dit oordeel houdt verband met het feit dat een publiekrechtelijke vereniging onder bepaalde voorwaarden voor de toepassing van art. 11 EVRM is uitgezonderd. Blijkens de jurisprudentie van het EHRM is daarbij van belang (i) of de vereniging is opgericht bij wet, (ii) of de vereniging is geïntegreerd in structuren van de Staat, (iii) of de vereniging een algemeen belang nastreeft, en (iv) of de vereniging administratieve, regulerende en/of tuchtrechtelijke taken heeft. Aan die voorwaarden was ten aanzien van de NBA naar het oordeel van de strafkamer van de Hoge Raad voldaan.

De appelrechter in de onderhavige civiele zaak was hetzelfde oordeel toegedaan. Het hof oordeelde dat NBA een publiekrechtelijke vereniging is en niet kan worden aangemerkt als een vereniging in de zin van art. 11 EVRM. Het hof heeft in dat verband overwogen dat de bij wet ingestelde NBA is ingebed in de structuren van de Staat, mede een algemeen belang nastreeft en administratieve, regulerende en tuchtrechtelijke taken heeft buiten het gewone recht.

In het door OvRAN ingestelde cassatieberoep zet de Hoge Raad nog eens het voor de toepassing van art. 11 EVRM geldende toetsingskader uiteen. Zie rov. 3.1.2-3.1.4. Tegen de achtergrond van dit toetsingskader meent de Hoge Raad dat de appelrechter zich van de terzake geldende maatstaven rekenschap heeft gegeven en dat zijn oordeel ook voldoende is gemotiveerd.

In cassatie ging het verder nog om de vraag of het hof expliciet had moeten beslissen op het verzoek van OvRAN om spreektijdverlenging tijdens het pleidooi. Volgens OvRAN had het hof dit niet gedaan en had het daarmee in strijd gehandeld met de goede procesorde, art. 6 EVRM en het Procesreglement civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven.

De Hoge Raad stelt voorop dat de rechter aan wie conform artikel 4.4 van het desbetreffende Procesreglement wordt verzocht om spreektijdverlening, op een dergelijk verzoek voorafgaand het pleidooi dient te beslissen en deze beslissing onverwijld aan partijen dient kenbaar te maken. De Hoge Raad constateert voorts dat OvRAN er terecht over klaagt dat uit de stukken niet blijkt dat het hof dit uitgangspunt heeft gehanteerd.

Toch kan dit niet tot cassatie leiden. De verplichting van de rechter om tijdig te beslissen op het bedoelde verzoek om spreektijdverlenging, neemt volgens de Hoge Raad niet weg dat het tot de taak van de advocaat behoort dat hij de stand van zaken volgt ten aanzien van een dergelijk door hem gedaan verzoek. In een geval als het onderhavige brengt deze taak mee volgens de Hoge Raad mee dat de advocaat die bij het verzoek om pleidooi ook verzoekt om verlenging van de spreektijd en vervolgens alleen een beslissing van het hof ontvangt op het verzoek om pleidooi, het hof tijdig erop attendeert dat nog niet op zijn verzoek om verlenging van de spreektijd is beslist en aandringt op een beslissing op dat verzoek. Gesteld noch gebleken is dat dit in de onderhavige zaak is gebeurd.

Volgt verwerping van het cassatieberoep.

De Staat werd in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk en Mirella Peletier.

Share This