Selecteer een pagina

HR 7 juli 2017 ECLI:NL:HR:2017:1264

De Belastingdienst vordert informatie van bewindvoerders/erfgenamen over rekeningen van hun onder bewind gestelde moeder/hun overleden vader bij de KB-Luxbank. De dagvaarding in kort geding kan worden aangemerkt als een verzoek tot informatieverstrekking aan de zonen in hun in art. 43  en 44 AWR bedoelde hoedanigheden. Het hof is buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden met een te ruime omschrijving van de informatieplicht in het dictum.

Feiten

In deze zaak heeft de Staat (de Belastingdienst) in kort geding veroordeling van de zonen tot naleving van de informatieplicht ex art. 47 AWR in hun hoedanigheid van bewindvoerders over het vermogen van hun moeder en in hun hoedanigheid van erfgenamen van hun vader gevorderd, op straffe van een dwangsom. Het gaat om een zaak van het zogenoemde rekeningenproject, dat ziet op door de Belgische fiscale autoriteiten verstrekte fotokopieën van afdrukken van microfiches van de KB-Luxbank. Op basis van onderzoek door de Belastingdienst naar de op de fiches vermelde namen en saldi zijn vader en moeder geïdentificeerd als rekeninghouder van een of meer rekeningen bij KB-Lux. Aan vader zijn diverse navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en navorderingsaanslagen vermogensbelasting opgelegd. Vader is in mei 2012 overleden. De zonen (eisers tot cassatie) en moeder zijn de erfgenamen. In september 2012 zijn de goederen van moeder onder bewind gesteld met benoeming van de zonen tot bewindvoerders. De Staat heeft moeder en de zonen in kort geding gedagvaard en – samengevat – gevorderd, dat zij op straffe van verbeurte van een dwangsom worden veroordeeld om inlichtingen te verschaffen over buitenlandse bankrekening(en) die moeder na 31 januari 1994 bij buitenlandse banken heeft aangehouden dan wel nog aanhoudt. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van de Staat toegewezen. Het hof heeft de vorderingen van de Staat voor zover deze zijn gericht tegen moeder afgewezen en heeft de zonen veroordeeld om inlichtingen te verschaffen over buitenlandse bankrekeningen die door vader en/of moeder zijn aangehouden dan wel nog worden aangehouden.

Art. 43 en 44 AWR

In cassatie klagen de zonen dat zij niet gehouden zijn de gevraagde informatie te verstrekken, nu de Belastingdienst vóór de dagvaarding in kort geding hen noch in hun hoedanigheid van erfgenamen van vader, noch in hun hoedanigheid van bewindvoerders over het vermogen van moeder heeft verzocht om informatie. Zij beroepen zich daarbij op de artikelen 43 en 44 AWR en betogen dat uit die artikelen volgt dat zij in hun hoedanigheid van bewindvoerders/erfgenamen eerst zijn gehouden tot de op moeder/vader rustende informatieplicht na te komen, indien de Belastingdienst dat specifiek van hen vordert. Over deze twee artikelen uit de AWR schrijft A-G Keus in zijn conclusie voor dit arrest onder meer:

“Art. 43 AWR heeft onder meer betrekking op de uitoefening van de bevoegdheden en de nakoming van de verplichtingen van een persoon wiens vermogen onder bewind is gesteld door de bewindvoerder, art. 44 AWR ziet op de vertegenwoordiging van de rechtverkrijgenden onder algemene titel in de uitoefening van de bevoegdheden en de nakoming van de verplichtingen die een overleden persoon zou hebben gehad, ware hij in leven gebleven. Beide bepalingen maken onderdeel uit van de in de AWR opgenomen regeling inzake de vertegenwoordiging buiten rechte in belastingzaken (art. 41-46 AWR), welke van toepassing is op het verkeer tussen de belastingplichtige en de fiscus in het heffingsproces. Deze regeling bevat op het punt van orgaanvertegenwoordiging (art. 42), wettelijke vertegenwoordiging, curatoren en bewindvoerders (art. 43) en de vertegenwoordiging van erfgenamen (art. 44) eigen, van het civiele recht afwijkende regels, die ruimere vertegenwoordigingsmogelijkheden dan het civiele recht bieden. Uit de wetgeschiedenis van de AWR volgt dat dit een en ander is ingegeven door de noodzaak de door het civiele recht vooropgestelde vrijheid om zich al dan niet te laten vertegenwoordigen in het belastingrecht aanzienlijk te beperken, met het oog op het uitgangspunt dat fiscale verplichtingen en bevoegdheden ten dienste van de belastingheffing staan.”

A-G Keus lijkt het betoog van de zonen juist, maar concludeert dat de middelen desalniettemin niet tot cassatie kunnen leiden. De Hoge Raad laat zich over het betoog van de zonen niet uit en oordeelt dat de middelen reeds niet tot cassatie kunnen leiden omdat de dagvaarding in kort geding kan worden aangemerkt als een verzoek tot informatieverstrekking aan de zonen in hun in art. 43 en 44 AWR bedoelde hoedanigheden:

“Vast staat dus dat [eiser] c.s. in elk geval op het moment van dagvaarding om informatie is verzocht. De (mogelijke) omstandigheid dat [eiser] c.s. pas bij dagvaarding om inlichtingen is gevraagd, zou dan hoogstens gevolgen kunnen hebben (gehad) voor de proceskostenveroordeling in dit geding, indien kan worden geoordeeld dat dagvaarding onnodig was omdat [eiser] c.s. bereid zouden zijn geweest om desgevraagd de inlichtingen te verschaffen.”

Dat die bereidheid er in dit geval niet was, leidt de Hoge Raad af uit de overwegingen van het hof dat de zonen tot op heden geen informatie hebben willen verstrekken over de bankrekening.

Te ruime omschrijving informatieplicht in dictum

De vorderingen van de Staat en de door de voorzieningenrechter uitgesproken veroordeling zagen slechts op het verstrekken van informatie over door moeder aangehouden bankrekening(en) en in hoger beroep was in zoverre niet tegen deze veroordeling opgekomen. Het hof had de zonen tot informatieverstrekking over de door moeder en vader aangehouden bankrekening(en) veroordeeld. Daarmee is het hof buiten de rechtsstrijd getreden, zo oordeelt de Hoge Raad. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof voor zover de veroordeling ziet op de door vader aangehouden dan wel nog aangehouden bankrekening(en) en beperkt de veroordeling tot de door moeder aangehouden dan wel nog aangehouden bankrekening(en).

De overige klachten van de zonen worden door de Hoge Raad met toepassing van art. 81 lid 1 RO verworpen.

De Staat is in cassatie bijgestaan door Hans van Wijk, Mirella Peletier en Nicoline Bergman  en bij het hof door Wemmeke Wisman.

Share This