Selecteer een pagina

HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1871

(1) De vernietigbaarheid van een verdeling wegens dwaling wordt uitsluitend beheerst door art. 3:196 BW. Dit geldt niet alleen voor de overeenkomst die een verdeling inhoudt, maar ook voor de overeenkomst waarbij de deelgenoten zich tot een bepaalde concreet aangegeven verdeling verplichten (HR 7 april 1995, NJ 1996/499 m.nt. WMK). (2) De in art. 1:87 BW neergelegde regeling voor vergoedingsrechten ter zake van vermogensverschuivingen tussen de privévermogens van echtgenoten bij de verkrijging van een privégoed of de voldoening van een privéschuld, leent zich ook voor toepassing in geval van een vermogensverschuiving bij de verkrijging door echtgenoten van een gemeenschappelijk goed, gefinancierd uit hun privévermogens.

Achtergrond

Op grond van art. 3:199 BW zijn de artikelen 6:228230 BW (de algemene regeling omtrent de vernietigbaarheid van overeenkomsten op grond van dwaling) op een verdeling van een gemeenschap niet van toepassing. Voor de verdeling kent de wet namelijk een bijzonder dwalingsregime: art. 3:196 BW. Op grond van dat artikel kan een deelgenoot de vernietiging van een verdeling vorderen, wanneer hij omtrent de waarde van één of meer van de te verdelen goederen heeft gedwaald en hij als gevolg daarvan voor meer dan een vierde gedeelte is benadeeld. Uit een eerdere uitspraak van de Hoge Raad (HR 7 april 1995, NJ 1996/499 m.nt. WMK) volgde reeds dat het toepassingsgebied van het dwalingsregime van art. 3:196 BW zich ook uitstrekt tot overeenkomsten waarbij deelgenoten zich al vóórdat de huwelijksgemeenschap is ontbonden, tot een bepaalde verdeling van de gemeenschap verplichten. In de onderhavige zaak komt deze materie wederom aan de orde.

De casus

De man en de vrouw in de onderhavige zaak zijn in juli 2007 onder huwelijkse voorwaarden gehuwd. Deze huwelijkse voorwaarden hielden kort gezegd een uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen in, in combinatie met een periodiek verrekenbeding. In het kader van de aankoop van een gezamenlijke woning, waarbij de vrouw ten laste van haar privévermogen € 110.000,– méér had ingelegd dan de man, hebben partijen in april 2008 in aanvulling op hun huwelijkse voorwaarden een akte ondertekend. Op grond daarvan zou de vrouw bij vervreemding van de woning of bij een eventueel einde van hun huwelijk recht hebben op teruggave van het bedrag van € 110.000,–, welk bedrag (na indexering) eerst aan de vrouw zou toekomen en waarna de waarde van de woning (verminderd met de daarop rustende schulden) aan ieder van hen voor de helft zou toekomen. Een aantal jaren later, in december 2012, hebben partijen een echtscheidingsconvenant gesloten waarin (onder meer) wordt gerefereerd aan de afspraak over de overbedelingsvergoeding zoals neergelegd in de huwelijkse voorwaarden en de aanvullende akte van april 2008. Bij beschikking van 22 augustus 2013 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken.

In de onderhavige procedure verzoekt de man tot vernietiging van het echtscheidingsconvenant op grond van dwaling (art. 3:196 lid 1 BW). Hij stelt dat hij over de waarde van de te verdelen en te verrekenen boedelbestanddelen heeft gedwaald en dat hij als gevolg daarvan voor meer dan een vierde gedeelte is benadeeld. De rechtbank heeft dit verzoek van de man afgewezen. Gelet op de omstandigheid dat de man ten tijde van het sluiten van het echtscheidingsconvenant op de hoogte was van de waarde van de te verdelen eenvoudige gemeenschap (te weten de woning), de hoogte van de aan de woning gekoppelde hypothecaire schuld en de omvang van het te verrekenen vermogen, kon volgens de rechtbank niet worden vastgesteld dat de man heeft gedwaald omtrent de waarde van één of meer boedelbestanddelen. Het hof was echter een ander oordeel toegedaan en vernietigde (bij beschikking van 18 juni 2014) artikel 3.4.6 van het echtscheidingsconvenant aangaande de overbedelingsvergoeding. Dit deed het hof echter niet op grond van art. 3:196 BW, maar op grond van de algemene dwalingsregeling van art. 6:228 BW. Volgens het hof is van een onjuiste waardering geen sprake, zodat het beroep van de man op art. 3:196 BW niet slaagt. Maar nu de vrouw volgens het hof slechts een vergoedingsvordering jegens de man heeft ter hoogte van haar investering in het aandeel van de man (te weten de helft van € 110.000,–), terwijl het echtscheidingsconvenant bepaalt dat de man het volledige bedrag van € 110.000,– aan de vrouw verschuldigd is, hebben beide partijen volgens het hof gedwaald in de zin van art. 6:228 BW. De vrouw komt van dit oordeel van het hof in cassatie. De man heeft op zijn beurt (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld.

Principaal cassatieberoep

In cassatie stelt de vrouw zich (onder meer) op het standpunt dat het hof heeft miskend dat de algemene dwalingsregeling van art. 6:228 BW ingevolge het bepaalde in art. 3:199 BW niet op een verdeling (of ingevolge art. 1:135 lid 2 BW op een verrekening) van toepassing is. De Hoge Raad acht deze klacht van de vrouw gegrond en overweegt dat de vernietigbaarheid van een verdeling wegens dwaling uitsluitend wordt beheerst door art. 3:196 BW. De algemene dwalingsregeling geldt volgens de Hoge Raad dus niet als ‘vangnet’ voor de gevallen waarin een beroep op de bijzondere dwalingsregeling van art. 3:196 BW niet slaagt. Onder verwijzing naar zijn eerdere rechtspraak hieromtrent (HR 7 april 1995, NJ 1996/499 m.nt. WMK) wijst de Hoge Raad er bovendien nog eens op dat het voorgaande niet alleen geldt voor de overeenkomst die een verdeling inhoudt, maar ook voor de overeenkomst waarbij de deelgenoten zich tot een bepaalde verdeling verplichten, vóórdat de huwelijksgemeenschap is ontbonden.

Voorts klaagt de vrouw dat het hof heeft miskend dat de door haar gepretendeerde aanspraak op het bedrag van € 110.000,– niet is gebaseerd op een vergoedingsrecht, maar op een overeenkomst tussen partijen en dat van een vergoedingsrecht slechts sprake kan zijn bij gebreke van een overeenkomst tussen partijen. Ook deze klacht van de vrouw slaagt. De Hoge Raad wijst in dit verband op de regeling voor vergoedingsrechten ter zake van vermogensverschuivingen tussen de privévermogens van echtgenoten bij de verkrijging van een privégoed of de voldoening van een privéschuld, neergelegd in art. 1:87 BW. Volgens de Hoge Raad leent deze regeling zich óók voor toepassing in geval van een vermogensverschuiving bij de verkrijging door echtgenoten van een gemeenschappelijk goed, gefinancierd uit hun privévermogens, zoals waarvan in het onderhavige geval sprake is. De Hoge Raad overweegt:

“Voor zover het hof met zijn oordeel dat de vrouw jegens de man geen recht heeft op terugbetaling van het bedrag van € 110.000,– heeft beoogd bij de wettelijke regeling aan te sluiten, heeft het echter miskend dat de echtgenoten ingevolge art. 1:87 lid 4 BW bij overeenkomst kunnen afwijken van de in de leden 1-3 opgenomen regeling. Niet in geschil is immers dat partijen met betrekking tot de investering van de vrouw van € 110.000,– op 1 april 2008 zijn overeengekomen dat de man bij het einde van het huwelijk dit bedrag weer aan de vrouw zal teruggeven. Deze afspraak – waarvoor het vormvereiste van art. 1:115 lid 1 BW niet geldt – prevaleert boven de wettelijke regeling van vergoedingsrechten. Daaruit volgt dat het onderdeel slaagt.”

Het cassatieberoep van de vrouw was overigens mede gericht tegen de beschikking van het hof van 6 augustus 2014, waarin het hof het verzoek van de man tot verbetering van de beschikking van 18 juni 2014 had afgewezen. In zoverre werd de vrouw in haar beroep niet-ontvankelijk verklaard, aangezien hiertegen krachtens het bepaalde in art. 31 lid 4 Rv geen hogere voorziening openstaat en door de vrouw geen doorbrekingsgrond was aangevoerd.

Incidenteel  cassatieberoep

De man komt in cassatie op tegen het oordeel van het hof dat partijen het eens zijn over de waarden van de bezittingen en schulden van de eenvoudige gemeenschap, zodat van een onjuiste waardering geen sprake is en het beroep op art. 3:196 BW ook niet opgaat. De man heeft de hoogte en de verschuldigdheid van de schuld van € 110.000,– aan de vrouw wel degelijk betwist, zo stelt hij. De Hoge Raad overweegt echter dat de door de man in het kader van zijn beroep op art. 3:196 BW ingenomen stellingen erop neer komen dat hij stelt te hebben gedwaald omtrent de wijze waarop het door de vrouw geïnvesteerde bedrag van € 110.000,– in de verdeling moet worden betrokken. Dat levert volgens de Hoge Raad evenwel géén dwaling op “omtrent de waarde van een of meer der te verdelen goederen en schulden” zoals bedoeld in art. 3:196 lid 1 BW. De Hoge Raad vervolgt:

“Daargelaten of en in hoeverre een andersoortige dwaling dan die omtrent de waarde van de desbetreffende goederen of schulden in het kader van de algemene dwalingsregeling van art. 6:228-230 BW in aanmerking kan worden genomen, die regeling is – ook in zoverre – ingevolge art. 3:199 BW niet van toepassing op de verdeling van een gemeenschap (vgl. HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV3103, NJ 2012/422). Nu de man niet heeft gesteld dat hij heeft gedwaald over de waarde van de (gemeenschaps)schuld aan de vrouw (namelijk ten bedrage van € 110.000,–), is het oordeel van het hof juist. Het onderdeel faalt.”

Geheel in lijn met de heldere conclusie voor het arrest van A-G mr. Keus, verklaart de Hoge Raad in het principale beroep de vrouw niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep tegen de beschikking van het hof van 6 augustus 2014, vernietigt hij de beschikking van het hof van 18 juni 2014 en verwijst hij het geding naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing. De Hoge Raad verwerpt het incidentele cassatieberoep.

De door de Hoge Raad aangehaalde uitspraak van 30 maart 2012 is hier (CB 2012-689) besproken op Cassatieblog.

Share This