HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:295

Ten aanzien van het opleggen van de maatregel van een ‘omgangsondertoezichtstelling’ geldt (i) dat de rechter moet aangeven op grond waarvan hij tot het oordeel is gekomen dat de wettelijke gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn en (ii) dat aan de motivering voor de toewijzing van ondertoezichtstelling in zo een geval hoge eisen worden gesteld.

Achtergrond: de omgangsondertoezichtstelling

Op grond van het bepaalde in art. 1:254 lid 1 (oud) BW dat tot 1 januari 2015 heeft gegolden (maar in casu van toepassing was in verband met het overgangsrecht), kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen indien die minderjarige zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. Zo’n ondertoezichtstelling kan (onder meer) worden uitgesproken met het doel een omgangsregeling tot stand te brengen of te effectueren. Op grond van vaste rechtspraak zal de rechter in dat geval evenwel moeten aangeven op grond van welke gegevens hij tot het oordeel is gekomen dat de wettelijke gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn en bovendien dienen aan de motivering van de toewijzing van ondertoezichtstelling in zo’n geval hoge eisen te worden gesteld (zie HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1009, NJ 2002/4; HR 13 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1073, NJ 2002/5). In de onderhavige zaak laat de Hoge Raad zich wederom uit over deze materie.

De casus

De man en de vrouw in de onderhavige zaak hebben met elkaar samengeleefd, waarna zij in 2012 hun relatie verbraken. In 2011 is uit deze relatie hun dochter geboren, die de man ook heeft erkend. De man en de vrouw oefenen samen het ouderlijk gezag uit over hun dochter, maar zij woont bij haar vader. De vrouw heeft ook een dochter uit een eerdere relatie, welke dochter in 2003 is geboren. Zij woont bij haar moeder, die alleen het ouderlijk gezag over haar uitoefent.

 

Bij beschikking van 17 februari 2015 heeft de rechtbank de in 2011 geboren dochter van partijen op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming onder toezicht gesteld. Volgens de rechtbank is sprake van een ernstige ex-partnerstrijd tussen partijen waarmee hun dochter direct dan wel indirect wordt belast, hetgeen een ernstige bedreiging van haar ontwikkeling met zich brengt. Volgens de rechtbank is dan ook voldaan aan de wettelijke vereisten voor ondertoezichtstelling en is het in het zwaarwegende belang van hun dochter dat in het kader van de ondertoezichtstelling een gezaghebbende gezinsvoogdijwerker de belangen van de minderjarige zal waarborgen en dat wordt gewerkt aan herstel van het contact tussen deze dochter en haar halfzusje.

 

Bij beschikking van 18 juni 2015 heeft het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. Het hof heeft daartoe – kort gezegd – overwogen dat het (inmiddels langdurig) verbroken family life van hun dochter met haar moeder en met haar halfzusje als gevolg van de hevige strijd tussen partijen een ernstige bedreiging vormt voor haar persoons- en identiteitsontwikkeling. Bovendien heeft het hof ter zitting geconstateerd dat de ouders tezamen op dit moment niet gemotiveerd blijken daarin verandering te brengen. De omstandigheid dat de huidige opvoedsituatie bij de vader wellicht geen aanleiding biedt voor een beschermingsmaatregel als een ondertoezichtstelling, maakt een en ander volgens het hof niet anders.

Cassatie

De man komt van dit oordeel van het hof in cassatie en klaagt (onder meer) dat het hof de door de Hoge Raad in het kader van de omgangsondertoezichtstelling geformuleerde, tot terughoudendheid nopende maatstaf niet in acht heeft genomen en ook niet heeft voldaan aan de in dat verband gestelde hoge motiveringseisen. Na voorop te hebben gesteld dat het hof inderdaad een omgangsondertoezichtstelling heeft opgelegd, wijst de Hoge Raad op de hiervoor aangehaalde vaste rechtspraak aangaande de maatstaf voor het opleggen van de maatregel van een omgangsondertoezichtstelling. Volgens de Hoge Raad klaagt de man terecht dat het hof die maatstaf niet heeft toegepast:

“In het bijzonder blijkt daaruit niet dat het hof in zijn oordeelsvorming heeft betrokken of de ernstige bedreiging voor de zedelijke of geestelijke belangen van [de minderjarige] – welke bedreiging naar het oordeel van het hof het gevolg is van het (inmiddels langdurig) verbroken family life van [de minderjarige] met haar moeder en haar halfzusje – kan worden afgewend door de inzet van andere, minder ingrijpende middelen dat de opgelegde maatregel van ondertoezichtstelling, noch blijkt daaruit dat het hof heeft onderzocht of andere middelen hebben gefaald of, naar te voorzien is, zullen falen.

Voorts voldoet de beslissing van het hof niet aan de voor gevallen als het onderhavige geldende hoge motiveringseisen. Het hof heeft slechts overwogen dat het ter zitting heeft geconstateerd dat de ouders tezamen op dit moment niet gemotiveerd blijken om verandering te brengen in het verbroken family life van [de minderjarige] met haar moeder en haar halfzusje, en dat gelet op de verbetenheid waarmee partijen hun stellingen hebben betrokken, is te voorzien dat de bedreiging van de persoons- en identiteitsontwikkeling van [de minderjarige] in het vrijwillige kader niet kan worden afgewend. Een en ander levert geen toereikende motivering op voor het opleggen van de maatregel van ondertoezichtstelling.”

De Hoge Raad bevestigt dus zijn eerdere jurisprudentie omtrent het opleggen van de maatregel van een omgangsondertoezichtstelling. A-G mr. Vlas was overigens een ander oordeel toegedaan. Volgens hem volgt uit de aangehaalde vaste rechtspraak van de Hoge Raad “dat de maatregel van een ondertoezichtstelling slechts is gerechtvaardigd, indien zij berust op de in de wet aangegeven gronden en dient ter bescherming van de het belang van het kind”. Aan de hand daarvan komt hij tot het oordeel dat het hof niet is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting en het hof zijn oordeel evenmin onvoldoende heeft gemotiveerd.

De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof en verwijst het geding naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.

Share This