Selecteer een pagina

Nederlandse vlagHR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:761 en ECLI:NL:HR:2015:766

Nederlanders kunnen hun Nederlandse nationaliteit verliezen als zij tevens een andere (“vreemde”) nationaliteit bezitten en zij tijdens hun meerderjarigheid gedurende een ononderbroken periode van tien jaar in het bezit van beide nationaliteiten hoofdverblijf hebben buiten Nederland (en buiten het Koninkrijk overzee en de Europese Unie) (art. 15 lid 1 onder c RWN). Die periode van tien jaar wordt gestuit door de verstrekking van een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap dan wel van een reisdocument in de zin van de Paspoortwet (art. 15 lid 4 RWN). De opsomming van documenten die als verklaring omtrent het bezit van Nederlanderschap kunnen dienen (zie art. 61 lid 1 van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (BVVN)), is limitatief.

Verklaring Nederlanderschap

In deze zaken hadden twee vrouwen, in Ghana geboren in respectievelijk 1978 en 1980, als kind van een ongehuwde Ghanese moeder bij hun geboorte de Ghanese nationaliteit verkregen. De moeder was op 13 juni 1983 gehuwd met een Nederlandse man, en had op 21 juni 1983 de Nederlandse nationaliteit verkregen. In die verkrijging hadden haar beide dochters niet gedeeld. Ten behoeve van de beide dochters heeft de moeder op grond van de destijds geldende wetgeving op 5 juni 1985 een optieverklaring tot verkrijging van het Nederlanderschap afgelegd. In 2012 hebben de beide vrouwen de Haagse rechtbank verzocht om op de voet van art. 17 RWN vast te stellen dat zij het Nederlanderschap bezitten.

De rechtbank heeft vastgesteld dat beide vrouwen sinds 1 april 2003 onafgebroken hun hoofdverblijf in Ghana hebben en dat de verliestermijn van art. 15 lid 1 onder c van de Rijkswet op die datum is aangevangen. Bij de rechtbank hadden de vrouwen een kopie van een brief van de Minister van Justitie overgelegd, van 26 januari 2009, die als onderwerp had: “bewijs van naturalisatie”. De rechtbank oordeelde dat art. 61 lid 1 BVVN geen limitatieve opsomming geeft van documenten die gezien kunnen worden als verklaring van het Nederlanderschap en de inhoud van de brief niet anders kon worden uitgelegd dan dat de vrouwen op het moment van verzending van de brief in het bezit waren van de Nederlandse nationaliteit. Zij mochten er op vertrouwen dat deze brief een verklaring was omtrent het bezit van het Nederlanderschap als bedoeld in art. 61 lid 1 BVVN. Volgens de rechtbank was de verliestermijn daarom gestuit en was op 26 januari 2009 een nieuwe termijn gaan lopen en bezaten de vrouwen dus de Nederlandse nationaliteit. Dit oordeel houdt in cassatie geen stand.

In cassatie

De Hoge Raad oordeelt dat uit de tekst en de strekking van art. 61 BVVN, bezien in samenhang met art. 15 lid 4 RWN, volgt dat de opsomming in art. 61 lid 1 BVVN van de documenten die kunnen gelden als verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap, limitatief is. Dit limitatieve karakter strookt volgens de Hoge Raad voorts met het door de wetgever bij de inrichting van het nationaliteitsrecht benadrukte belang van rechtszekerheid.

De namens de Minister van Justitie verzonden brief van 26 januari 2009 kan niet worden beschouwd als een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap. De Hoge Raad wijst er op dat een vermelding van verkrijging van het Nederlanderschap in het verleden geen uitsluitsel geeft over het bezit van het Nederlanderschap ten tijde vna de verzending van de bewuste brief. Bovendien staat vast dat de brief niet voldoet aan de in art. 61 lid 1, aanhef en onder c, BVVN vermelde vereisten. In het licht van het limitatieve karakter van de opsomming in art. 61 lid 1 BVVN kan de brief dan ook niet worden beschouwd als een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap als bedoeld in art. 15 lid 4 RWN.

In cassatie was het verweer gevoerd dat art. 15 lid 1, aanhef en onder c, en lid 4 van de Rijkswet moet worden uitgelegd en toegepast op een wijze die verenigbaar is met het Europees Verdrag inzake nationaliteit (Trb. 1998, 10 en 149; hierna: EVN), in het bijzonder met het daarin opgenomen gesloten stelsel van gronden waarop van rechtswege of op initiatief van een verdragsluitende staat het verlies van nationaliteit kan intreden. In art. 7 lid 1, aanhef en onder e, EVN is als verliesgrond vermeld “het ontbreken van een effectieve band tussen de Staat die Partij is, en een onderdaan die zijn gewone verblijf in het buitenland heeft” (in de authentieke Franse en Engelse tekst van deze bepaling wordt gesproken van “absence de tout lien effectif” respectievelijk “lack of a genuine link”).

De Hoge Raad wijst dit verweer van de hand. Aan art. 7 lid 1, aanhef en onder e, EVN komt geen rechtstreekse werking toe in de zin van de art. 93 en 94 Gw, omdat het niet voldoet aan de daarvoor geldende maatstaven. Daarvoor wijst de Hoge Raad in de eerste plaats op de inhoud van de preambule van het verdrag, waaruit naar voren komt dat de verdragsluitende staten geen rechtstreekse werking van de bepalingen van het EVN hebben beoogd. In de tweede plaats is deze bepaling onvoldoende nauwkeurig om in de nationale rechtsorde als objectief recht te worden toegepast. Het in dit voorschrift gehanteerde begrip “het ontbreken van een effectieve band” (“absence de tout lien effectif” respectievelijk “lack of a genuine link”) vergt immers nadere uitwerking in de nationaliteitswetgeving van de verdragsluitende staten, waarbij de Hoge Raad wijst op passages in het Toelichtend Rapport.

In het licht hiervan valt ook niet in te zien, aldus de Hoge Raad, dat de op Nederland rustende verdragsverplichtingen vergen dat art. 15 lid 1, aanhef en onder c, en lid 4, van de Rijkswet worden uitgelegd op een wijze die strookt met art. 7 lid 1, aanhef en onder e, EVN.

De Hoge Raad vernietigt de beschikkingen van de rechtbank en doet de zaken zelf af. De Hoge Raad wijst de verzoeken om vast te stellen dat verweersters in cassatie het Nederlanderschap bezitten af, en stelt vast dat zij van 5 juni 1985 tot 1 april 2013 de Nederlandse nationaliteit bezaten.

De Staat is in cassatie bijgestaan door de auteur.

Share This