HR 16 maart 2012, LJN BU9882

Het hof heeft in dit geval niet voldaan aan de motiveringsplicht die sinds 2008 (HR 25 januari 2008, LJN BB9246) als vaste rechtspraak heeft te gelden bij het met terugwerkende kracht wijzigen van alimentatie.

Partijen in deze zaak zijn ex-echtgenoten. Tussen hen is de echtscheiding uitgesproken op 16 augustus 2005. In deze procedure verzoekt de man wijziging met terugwerkende kracht van de door hem te betalen partneralimentatie. De man heeft de rechtbank verzocht de  partneralimentatie op nihil te stellen met ingang van de datum waarop het inleidend verzoekschrift ter griffie is ontvangen (10 maart 2008), althans de alimentatie met ingang van deze datum te verlagen en per 1 oktober 2008 op nihil te stellen. De vrouw verweert zich onder meer met de stelling dat aan de wijziging van de alimentatie in elk geval geen terugwerkende kracht mag worden verleend. Volgens de vrouw zijn de door haar ontvangen bedragen inmiddels verteerd, heeft zij geen vermogen en is het zeer de vraag of zij nog iets zal ontvangen uit de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

De rechtbank heeft het subsidiaire verzoek van de man toegewezen en de alimentatie verlaagd met ingang van de datum van het inleidend verzoekschrift, met nihilstelling per 1 oktober 2008. De rechtbank overwoog dat zij geen reden zag de alimentatie op een latere datum dan 10 maart 2008 te wijzigen, omdat de vrouw vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met een verlaging van de onderhoudsbijdragen. Het hof heeft de beschikking van de rechtbank vernietigd en het primaire verzoek van de man toegewezen. Het hof bepaalde daarbij dat de man over de periode van 16 augustus 2005 tot 1 oktober 2008 een lagere bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen, en over de periode na 1 oktober 2008 nihil. Ter motivering overwoog het hof dat het zich geheel kan verenigen met hetgeen de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van de terugbetaling door de vrouw aan de man van teveel betaalde alimentatie en de wijze waarop dat dient te geschieden.

In cassatie klaagt de vrouw dat het oordeel van het hof dat de verlaging van de alimentatie met terugwerkende kracht is gerechtvaardigd op de door de rechtbank aangevoerde gronden, onbegrijpelijk is gemotiveerd. Deze klacht slaagt. De Hoge Raad begint zijn oordeel met een herhaling van hetgeen sinds 2008 als vaste rechtspraak heeft te gelden bij het wijzigen van alimentatie met terugwerkende kracht:

“Naar vaste rechtspraak dient de rechter die beslist op een verzoek tot wijziging van een eerder vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud, in het algemeen behoedzaam gebruik te maken van zijn bevoegdheid de wijziging te laten ingaan op een voor zijn uitspraak gelegen datum, met name indien dit ingrijpende gevolgen kan hebben voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald. Dit brengt mee dat de rechter naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd zal moeten beoordelen of, en zo ja in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met haar behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven en, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap moet geven in de motivering (HR 25 januari 2008, LJN BB9246, NJ 2008/65).”

De algemene regel die de Hoge Raad hanteert, luidt dat de rechter die gebruik maakt van zijn bevoegdheid om de alimentatie met terugwerkende kracht te wijzigen, verplicht is om in zijn motivering rekenschap te geven van hetgeen door partijen is aangevoerd over de mogelijke terugbetalingsplicht van de alimentatiegerechtigde.

De rechtbank had in deze zaak de alimentatie verlaagd met ingang van 10 maart 2008, de datum van het inleidend verzoekschrift, en overwoog daartoe mede dat de vrouw met ingang van die datum rekening heeft kunnen houden met een verlaging van de onderhoudsbijdrage. De Hoge Raad oordeelt dat deze overweging van de rechtbank niet kan dienen ter motivering van de beslissing van het hof om de alimentatie te verlagen vanaf 16 augustus 2005, ruim tweeënhalf jaar vóór de indiening van het inleidend verzoekschrift. Dat geldt te minder omdat door de beslissing van het hof de terugbetalingsplicht van de vrouw nog aanzienlijk werd verhoogd en de vrouw daartegen verweren heeft gevoerd. De Hoge Raad vernietigt daarom de beschikking van het hof.

De man is in cassatie bijgestaan door Edith Hurkens.

Share This