Selecteer een pagina

HR 8 februari 2013, LJN BY6111 (DB Schenker/Prorail)

Een vordering tot inzage van bescheiden op grond van art. 843a Rv kan worden ingesteld in een afzonderlijk kort geding, ook tijdens een lopende bodemprocedure.

Tussen partijen in deze zaak wordt een bodemprocedure gevoerd naar aanleiding van de ontsporing van een goederentrein van DB Schenker, waardoor schade aan het spoor is ontstaan. In deze bodemprocedure heeft de rechtbank bij tussenvonnis geoordeeld dat op DB Schenker op grond van art. 6:173 en 6:181 BW een risicoaansprakelijkheid rust. Vervolgens heeft de rechtbank een deskundige benoemd om de vraag te beantwoorden of de schade aan het spoor is ontstaan als gevolg van een gebrek van een van de wagons van de ontspoorde goederentrein.

In het kader van zijn onderzoek heeft de deskundige aan DB Schenker verzocht een bepaald document (het “brondocument”) af te geven. DB Schenker heeft dit geweigerd, en heeft ook geen gehoor gegeven aan de opdracht van de rechtbank (neergelegd in een volgend tussenvonnis) om het brondocument aan de deskundige ter beschikking te stellen. De rechtbank heeft vervolgens de deskundige verzocht zijn mening te geven over de vraag of DB Schenker het brondocument aan hem moet afgeven, en de deskundige heeft die vraag bevestigend beantwoord.

Prorail heeft hierop in een afzonderlijk kort geding op de voet van art. 843a Rv gevorderd om DB Schenker te veroordelen tot afgifte van het brondocument. DB Schenker heeft daartegen onder meer het verweer gevoerd dat tijdens een lopende bodemprocedure geen plaats is voor een 843a Rv-vordering in een afzonderlijk kort geding.

De voorzieningenrechter en het hof hebben dit verweer verworpen, en de Hoge Raad bevestigt dat dit terecht was:

“Onderdeel 2.1 van het middel betoogt dat er (in beginsel) geen plaats is voor een vordering op grond van art. 843a Rv in een afzonderlijk kort geding tijdens een lopende bodemprocedure. Het onderdeel faalt.

Een dergelijke beperking vloeit noch uit de tekst van art. 843a Rv, noch uit de totstandkomingsgeschiedenis van dit artikel voort. Ook in het wetsvoorstel tot aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met de wijziging van het recht op inzage, afschrift of uittreksel van bescheiden (Kamerstukken II, 2011-2012, 33 079) – waarmee geen inhoudelijke wijziging van art. 843a lid 1 is beoogd -, blijkt niet van een beperking als door het onderdeel wordt voorgestaan. De in het onderdeel gehanteerde argumenten van onomkeerbaarheid van de beslissing en geboden terughoudendheid kunnen een rol spelen bij de beoordeling of de vordering moet worden toegewezen, maar bieden geen grond voor de door DB Schenker bepleite niet-ontvankelijkverklaring.”

De omstandigheid dat tussen partijen al een bodemprocedure loopt (waarin een vordering tot afgifte van stukken ex art. 843a Rv ook via een incidentele vordering kan worden ingesteld), staat dus op zichzelf niet eraan in de weg om die vordering in een afzonderlijk kort geding aan de rechter voor te leggen. De Hoge Raad beslecht hiermee een discussie die eerder in de literatuur over deze vraag was gevoerd; zie daarover uitgebreider de conclusie van A-G Verkade, punt 4.5. De A-G wijst er overigens ook op dat de Hoge Raad in zijn arrest van 8 juni 2012, LJN BV8510 (hier besproken op Cassatieblog), over de mogelijkheid van een art. 843a Rv-vordering zonder dat een bodemprocedure aanhangig is of zal worden gemaakt, al het zelfstandige karakter van de art. 843a Rv-vordering had benadrukt. Dat zelfstandige karakter komt ook tot uitdrukking in het aanhangige wetsvoorstel tot wijziging van het inzagerecht: daarin is in het voorgestelde art. 162b Rv voorzien in een zelfstandige verzoekschriftprocedure voor het opvragen van bescheiden, die ook openstaat als al een bodemprocedure aanhangig is.

Dat een art. 843a Rv-vordering tijdens een lopende bodemprocedure ook in kort geding kan worden ingesteld, betekent overigens niet dat een dergelijke vordering ook per definitie steeds toewijsbaar is. Niet alleen zal voor toewijzing daarvan voldaan moeten zijn aan de vereisten van art. 843a Rv, maar daarnaast natuurlijk ook aan de algemene eisen voor toewijzing van een vordering in kort geding (waaronder bijvoorbeeld de eis van aanwezigheid van een spoedeisend belang).

Share This