Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons privacy statement.
weigeren accepteren

In beginsel meervoudige inlichtingencomparitie in meervoudig te beslissen zaak en gezichtspunten voor de vraag of uit een gedragslijn een arbeidsvoorwaarde ontstaat

CB 2018-116 Geplaatst op 03 juli 2018 door

HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:976 (FNV/Pontmeyer) en ECLI:NL:HR:2018:971 (X/Holland Schemering BV)

(i) de Hoge Raad bevestigt (in beide uitspraken) eerdere rechtspraak, waarin is geoordeeld dat een comparitie in een meervoudig te beslissen zaak, waarin partijen in de gelegenheid zijn gesteld hun stellingen toe te lichten, in beginsel dient plaats te vinden ten overstaan van de drie raadsheren die de beslissing nemen. Hiervan kan worden afgeweken door partijen tijdig voor de comparitie mede te delen dat zij kunnen verzoeken om een meervoudige behandeling (HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259 en ECLI:NL:HR:2017:3264, zie CB 2018:13). Een regeling in het procesreglement dat partijen een dergelijk verzoek kunnen doen, volstaat; (ii) de Hoge Raad geeft in het FNV/Pontmeyer-arrest gezichtspunten voor de vraag of uit een gedragslijn een tussen werknemer en werkgever geldende arbeidsvoorwaarde kan ontstaan. 

Enkelvoudige behandeling gevolgd door meervoudige beslissing

De Hoge Raad heeft op 22 december 2017 twee uitspraken gedaan over de vraag of in meervoudig te beslissen zaken een enkelvoudige behandeling kan plaatsvinden. Daarin werd vooropgesteld:

  • dat in een verzoekschriftprocedure zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, behoudens uitzonderingen, een mondelinge behandeling behoort plaats te vinden;
  • dat een mondelinge behandeling, evenals in een dagvaardingsprocedure de comparitie na antwoord in eerste aanleg en het pleidooi in eerste aanleg en in hoger beroep, mede tot doel heeft dat de rechter partijen en belanghebbenden in de gelegenheid stelt hun stellingen toe te lichten;
  • dat in hoger beroep op grond van 16 lid 1 Rv hoofdregel is dat zaken door een meervoudige kamer worden behandeld en beslist, en dat de meervoudige kamer kan bepalen dat de behandeling geheel of ten dele geschiedt door een rechter-commissaris, waartoe de zaak na een tussenvonnis voor verdere behandeling kan worden verwezen naar een enkelvoudige kamer;
  • dat een rechterlijke beslissing die mede wordt genomen op de grondslag van een voorafgaande mondelinge behandeling, in beginsel behoort te worden gegeven door de rechter(s) ten overstaan van wie die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, teneinde te waarborgen dat het verhandelde daadwerkelijk wordt meegewogen bij de totstandkoming van die beslissing;
  • indien een zaak meervoudig wordt beslist, brengt de strekking van deze regel mee dat een aan de beslissing voorafgaande mondelinge behandeling die mede tot doel heeft dat de rechter partijen in de gelegenheid stelt hun stellingen toe te lichten, in beginsel dient plaats te vinden ten overstaan van de drie rechters of raadsheren die de beslissing zullen nemen;
  • dat van dit doel in het algemeen sprake is bij een mondelinge behandeling die plaatsvindt in aansluiting op de eerste schriftelijke uitwisseling van partijstandpunten. Daarnaast kan van dat doel sprake zijn bij een mondelinge behandeling in een andere stand van het geding maar dat hoeft niet het geval te zijn.

De Hoge Raad heeft in deze arresten vervolgens de omstandigheden geformuleerd waaronder van deze hoofdregel kan worden afgeweken. In beide uitspraken van 22 juni 2018 werd in cassatie (in dat licht) geklaagd dat ten overstaan van een raadsheer-commissaris een inlichtingencomparitie had plaatsgevonden, terwijl de arresten vervolgens door de meervoudige kamer zijn gewezen.

De Hoge Raad bevestigt in onderhavige uitspraken in (respectievelijk) rov. 4.1.4 en 3.4.3 de rechtsregels uit de uitspraken van 22 december 2017 als volgt:

Nu de door het hof gelaste comparitie mede is benut om partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen toe te lichten, had deze comparitie in deze meervoudig te beslissen zaak in beginsel dienen plaats te vinden ten overstaan van de drie raadsheren die de beslissing zouden nemen. Van deze regel kon worden afgeweken door tijdig voor de comparitie (schriftelijk of elektronisch) aan partijen mee te delen dat, nu was bepaald dat de comparitie zou worden gehouden ten overstaan van een raadsheer-commissaris, partijen gelegenheid hadden om te verzoeken dat de comparitie zou worden gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zou nemen. (HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259 en HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3264, rov. 3.5.1 en 3.6.2-3.6.3)

In beide uitspraken van 22 juni 2018 voegt de Hoge Raad daaraan toe dat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat vorenbedoelde mededeling niet aan partijen is gedaan, nu de tussenarresten en de processen-verbaal van de comparitie hierover niets vermelden. De Hoge Raad overweegt – in aanvulling op de arresten van 22 december 2017 – dat opmerking verdient dat de gerechten ook bij procesreglement kunnen regelen dat partijen kunnen verzoeken dat de mondelinge behandeling wordt gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen. Met een dergelijke regeling wordt voldoende gelegenheid gegeven voor het doen van dat verzoek.

Een en ander brengt volgens de Hoge Raad mee dat de eindarresten moeten worden vernietigd. Onder verwijzing naar HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:484, zie CB 2018-59 oordeelt de Hoge Raad dat, indien na verwijzing – al dan niet op verzoek van partijen – opnieuw een comparitie wordt gelast, hetgeen in (respectievelijk) rov. 4.1.4 en 3.4.3 is overwogen, in acht moet worden genomen.

In het FNV/Pontmeyer-arrest overweegt de Hoge Raad vervolgens – in afwijking van de conclusie van A-G De Bock – dat het voorgaande niet anders wordt doordat partijen in een dagvaardingszaak, ook na een comparitie, op de voet van art. 134 Rv alsnog om pleidooi ten overstaan van de meervoudige kamer kunnen verzoeken. Uit het enkele feit dat FNV niet om pleidooi heeft verzocht, kan volgens de Hoge Raad niet worden afgeleid dat zij na de comparitie alsnog afstand heeft gedaan van het haar toekomende recht om bij de comparitie haar stellingen toe te lichten ten overstaan van de raadsheren die de beslissing zouden nemen.

Achtergrond van de zaak FNV/Pontmeyer

In de zaak FNV/Pontmeyer was ook een materieelrechtelijke kwestie aan de orde. Pontmeyer had jarenlang een CAO-verhoging aan ‘boven-cao-werknemers’ toegekend. Dit waren werknemers die een functiegroep hadden die uitstijgt boven functiegroep 8 van de (geldende) CAO-Houthandel en werknemers in de functieschalen 7 en 8 van deze cao die een salaris verdienden boven de cao-grens. Met instemming van de centrale ondernemingsraad, maar zonder FNV daarbij te betrekken, heeft Pontmeyer het beloningsbeleid voor deze boven-cao-werknemers gewijzigd. Als gevolg daarvan zouden de boven-cao-werknemers niet langer de (automatische) CAO-loonsverhoging, dan wel indexering ontvangen. In plaats daarvan is de salarisverhoging afhankelijk gesteld van de beoordeling van de betrokken werknemer.

FNV vordert in de kern dat Pontmeyer wordt veroordeeld de eenzijdige wijziging van de arbeidsvoorwaarden voor de boven-cao-werknemers ongedaan te maken. Volgens FNV was de jarenlang toegekende CAO-verhoging een arbeidsvoorwaarde/verworven recht. Het hof heeft de vorderingen van FNV afgewezen. FNV heeft hiertegen cassatieberoep ingesteld.

Ontstaat uit een gedragslijn een arbeidsvoorwaarde?

Hoewel de Hoge Raad de bestreden (tussen)arresten reeds op grond van de hiervoor beschreven procesrechtelijke aspecten heeft vernietigd, ziet hij aanleiding een inhoudelijk oordeel te vellen over de vraag wanneer een arbeidsvoorwaarde/verworven recht ontstaat. Hiermee geeft de Hoge Raad gehoor aan het in de literatuur gesignaleerde belang voor de rechtspraktijk om hier meer duidelijkheid over te krijgen (vgl. conclusie A-G De Bock, § 3.20).

De Hoge Raad overweegt in rov. 4.3.3 dat de vraag wanneer uit een door de werkgever jegens de werknemer gedurende een bepaalde tijd gevolgde gedragslijn voortvloeit dat sprake is van een tussen partijen geldende (de arbeidsovereenkomst aanvullende) arbeidsvoorwaarde, zich niet in algemene zin laat beantwoorden. Het komt aan op de zin die partijen aan elkaars gedragingen (en in verband daarmee staande verklaringen) hebben toegekend en in de gegeven omstandigheden daaraan redelijkerwijs mochten toekennen. De Hoge Raad overweegt vervolgens:

 “4.3.3

(…) In dit verband komt betekenis toe aan gezichtspunten als (i) de inhoud van de gedragslijn, (ii) de aard van de arbeidsovereenkomst en de positie die de werkgever en de werknemer jegens elkaar innemen, (iii) de lengte van de periode gedurende welke de werkgever de desbetreffende gedragslijn heeft gevolgd, (iv) hetgeen de werkgever en de werknemer in verband met deze gedragslijn jegens elkaar hebben verklaard of juist niet hebben verklaard, (v) de aard van de voor- en nadelen die voor de werkgever en de werknemer uit de gedragslijn voortvloeien, en (vi) de aard en de omvang van de kring van werknemers jegens wie de gedragslijn is gevolgd.”

De Hoge Raad vernietigt in beide zaken de bestreden (tussen)arresten vanwege het slagen van de procesrechtelijke klachten. Beide zaken moeten in hoger beroep opnieuw worden behandeld en beslist. In de FNV/Pontmeyer-zaak zal het verwijzingshof aan de hand van de door de Hoge Raad geformuleerde gezichtspunten moeten beoordelen of de jarenlange CAO-verhoging van de boven-cao-werknemers al dan niet een arbeidsvoorwaarde is.

email print