Selecteer een pagina

HR 23 november 2012, LJN BY3973, BY3961, BY3956, BY3954, BY3946, BY0486 en BY3977

Op grond van art. 78 lid 2 RO neemt de Hoge Raad geen kennis van het beroep in cassatie dat is ingesteld tegen uitspraken van rechtbanken in zaken waarvan zij als administratieve rechter kennis nemen. Het Reglement van inwendige dienst van de Hoge Raad schept geen bevoegdheid, maar bepaalt uitsluitend welke kamer van de Hoge Raad de zaak behandelt.

Op 23 november 2012 heeft de Hoge Raad in maar liefst zeven zaken het cassatieberoep van verzoeker(s) niet-ontvankelijk verklaard op grond van art. 78 lid 2 RO. Het ging in die zaken om een cassatieberoep dat was ingesteld tegen een vonnis van de sector bestuursrecht van de rechtbank. In zes van de zeven zaken betrof het een uitspraak van de rechtbank in een geschil betreffende de toekenning van sociale voorzieningen uit hoofde van het dienstverband van de vader dan wel grootvader van verzoeker(s) bij het voormalig Koninklijk Nederlands-Indisch Leger. In de zevende zaak ging het om een vonnis in een geschil over de toekenning van een legitimatiebewijs ten bewijze van het Nederlands onderdaanschap van een niet-Nederlander en staatsburger van de “Republiek der Verenigde Staten van Indonesië”.

Art. 78 lid 1 RO bepaalt dat de Hoge Raad kennis neemt van het beroep in cassatie tegen (onder meer) vonnissen van de rechtbanken, maar art. 78 lid 2 RO maakt daarop een belangrijke uitzondering. Ingevolge het tweede lid is het eerste lid namelijk niet van toepassing op uitspraken van de rechtbanken in zaken waarvan zij als administratieve rechter kennis nemen. De Hoge Raad constateert in alle zeven zaken dat het gaat om een cassatieberoep dat is ingesteld tegen een uitspraak in een zaak waarvan de rechtbank als administratieve rechter kennis heeft genomen en overweegt vervolgens dat hij van dat beroep op grond van art. 78 lid 2 RO geen kennis neemt. De Hoge Raad erkent dat art. 78 lid 4 RO weliswaar een uitzondering maakt op het bepaalde in het tweede lid ‘voorzover dit bij wet is bepaald’, maar overweegt in alle zaken dat er geen wettelijke bepaling is die beroep in cassatie openstelt tegen de voorliggende uitspraak van de rechtbank, sector bestuursrecht. Een voorbeeld van een geval waarin door de wet wél cassatieberoep is opengesteld tegen de uitspraak van een administratieve rechter is deze uitspraak van 23 november 2012, waarin (de Belastingkamer van) de Hoge Raad een cassatieberoep tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep gegrond achtte.

Door verzoeker(s) is verder nog aangevoerd dat de grondslag voor de bevoegdheid van de Hoge Raad tot cassatie van de beslissing van de rechtbank kan worden gevonden in het Reglement van inwendige dienst van de Hoge Raad. De Hoge Raad verwerpt ook dit betoog: het genoemde reglement schept namelijk (uiteraard) geen bevoegdheid van de Hoge Raad, maar bepaalt uitsluitend welke kamer van de Hoge Raad de zaak behandelt.

Share This