HR 15 april 2016, ELCI:NL:HR:2016:662 (Mr. Muetstege q.q. / Gemeente Amsterdam)

1) De verplichting om na een mondelinge behandeling aan partijen mededeling te doen van een rechterswisseling, vervalt na de eerste uitspraak die op een mondelinge behandeling volgt. Na die uitspraak is het aan partijen om eventueel initiatieven te ontplooien. 2) De voorwaarden voor afwijzing van een verzoek om een nadere mondelinge behandeling na een rechterswisseling kunnen tot de einduitspraak een rol blijven spelen. 3) De regels rond rechterswisseling zien niet op de comparitie na aanbrengen in hoger beroep.

Partijen hebben het  – niet onbegrensde – recht hun standpunt mondeling ten overstaan van de rechter uiteen te zetten. Dat is een fundamenteel beginsel van burgerlijk procesrecht, neergelegd in art. 134 Rv; het vloeit ook voort uit art. 6 EVRM. Dat was het uitgangspunt dat de Hoge Raad formuleerde in zijn arrest van 31 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3076, CB 2014-169 en NJ 2015/181 met noot  W.D.H. Asser). In dat arrest, eveneens in een onteigeningsprocedure, heeft de Hoge Raad regels geformuleerd naar aanleiding van de vraag hoe te handelen als na de mondelinge behandeling en voor de uitspraak vervanging van een of meer rechters noodzakelijk blijkt. De Hoge Raad vat in de uitspraak in de onderhavige zaak, ook gedaan in een onteigeningsprocedure, de regels die hij toen gaf als volgt samen:

3.3 (..) Een rechterlijke beslissing die mede wordt genomen op de grondslag van een voorafgaande mondelinge behandeling, behoort in beginsel te worden gegeven door de rechter(s) ten overstaan van wie die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, teneinde te waarborgen dat het verhandelde daadwerkelijk wordt meegewogen bij de totstandkoming van die beslissing. Indien tussen de mondelinge behandeling en de daaropvolgende uitspraak vervanging van een of meer rechters noodzakelijk blijkt, dient het gerecht dit aan partijen mee te delen.
Partijen hebben dan de gelegenheid een nadere mondelinge behandeling te verzoeken ten overstaan van de rechter(s) door wie de uitspraak zal worden gewezen. Een zodanig verzoek kan in het belang van een voortvarende procesvoering onder bepaalde, in het arrest nader aangeduide, omstandigheden worden afgewezen, mits dit gemotiveerd gebeurt.

In het arrest van 31 oktober 2014 formuleerde de Hoge Raad ook overgangsrecht: aan schending van deze regels zal pas rechtsgevolg kunnen worden verbonden in procedures waarin na de datum van dat arrest een mondelinge behandeling plaatsvindt. Die overgangsregel gold echter weer niet voor onteigeningsprocedures omdat daarvoor, op grond van een al ouder arrest, zelfs een strengere maatstaf had gegolden.

In zijn noot onder dit arrest (onder 3) veronderstelde Asser dat het fundamenteel beginsel zag op de laatste mondelinge behandeling voordat vonnis wordt gewezen.

In haar conclusie voor het arrest in onderhavige zaak gaat ook Advocaat-Generaal Wesseling-Van Gent hiervan uit (onderdeel 2.7 van haar conclusie).

In de zaak waarin de Hoge Raad hier beslist, had de rechtbank de vervroegde onteigening uitgesproken en waren vervolgens deskundigen benoemd ter begroting van de schadeloosstelling. Vervolgens had drie keer een mondelinge behandeling plaatsgevonden, voordat de rechtbank in haar eindvonnis de schadeloosstelling vaststelde. Dit eindvonnis was mede gewezen door een rechter die wel bij de laatste mondelinge behandeling aanwezig was geweest, maar niet bij de eerdere twee.

De Hoge Raad constateert (rov. 3.4) kortweg dat geen grond bestaat de regels uit het arrest van 31 oktober 2014 toe te passen, nu sprake is van een wisseling van een van de rechters na een op een eerdere mondelinge behandeling gevolgde uitspraak, en aan de verdere beoordeling van het geschil een tweede mondelinge behandeling vooraf is gegaan. In die tweede behandeling kunnen partijen, aldus de Hoge Raad, immers desgewenst de geschilpunten waarop in de vorige uitspraak nog niet was beslist, opnieuw of nader aan de orde stellen ten overstaan van de rechters die over die geschilpunten zullen beslissen. De Hoge Raad verwerpt daarom het cassatieberoep.

De Hoge Raad ziet in deze zaak echter klaarblijkelijk een goede gelegenheid de in het eerdere arrest van 31 oktober 2014 gegeven regels te verduidelijken en doet dat in een obiter dictum dat uit meer tekst bestaat dan de inhoudelijke overwegingen over de zaak zelf.

De Hoge Raad merkt op dat bij toepassing van de regels uit het arrest van 31 oktober 2014 onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds (a) de vraag tot hoever de verplichting van het gerecht reikt om aan partijen mededeling te doen van een rechterswisseling na een mondelinge behandeling, en anderzijds (b) de beoordeling van een verzoek om een nadere mondelinge behandeling na een rechterswisseling.

Wat betreft de vraag onder (a) concludeert de Hoge Raad uiteindelijk dat moet worden aanvaard dat de verplichting van het gerecht om na een mondelinge behandeling aan partijen mededeling te doen van een rechterswisseling vervalt na de eerste uitspraak die op de mondelinge behandeling volgt. De Hoge Raad legt uit:

“3.7.3 (..) Een uitspraak, ook indien deze slechts strekt tot instructie van de zaak, leidt immers tot een nieuwe fase in de procedure. Partijen kunnen zelf aan de hand van de eerdere mondelinge behandeling, de uitspraak die daarop is gevolgd en de latere proceshandelingen een afweging maken of in geval van een rechterswisseling een nadere mondelinge behandeling gewenst is en in bevestigend geval naar een eventuele rechterswisseling informeren. Na een uitspraak is het dus aan partijen om in dit verband initiatieven te ontplooien.”

Wat betreft de vraag onder (b) naar een nadere mondelinge behandeling overweegt de Hoge Raad dat het uitgangspunt blijft dat een rechterlijke beslissing die mede wordt genomen op de grondslag van een voorafgaande mondelinge behandeling, dient te worden gegeven door de rechter(s) ten overstaan van wie die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. Hij vervolgt:

“3.8 (..) Dit uitgangspunt blijft gelden zolang niet is beslist op de geschilpunten die bij de mondelinge behandeling aan de orde zijn gekomen, en kan dus ook de fase van de procedure omvatten waarin op het gerecht niet meer de verplichting rust om aan partijen mededeling te doen van een rechterswisseling. De voorwaarden die in (…) het arrest van 2014 zijn gesteld aan de afwijzing van een verzoek om een nadere mondelinge behandeling, kunnen dan ook tot de einduitspraak een rol blijven spelen.

Wel neemt het gewicht van het hierboven genoemde uitgangspunt af naarmate in tussenuitspraken verdergaand is beslist op de geschilpunten die bij de mondelinge behandeling ter sprake zijn gekomen. Zoals in het arrest van 2014 is overwogen, weegt ook het belang van een voortvarende procesvoering mee bij de beoordeling van verzoeken om een nadere mondelinge behandeling na een rechterswisseling.”

Ten slotte bepaalt de Hoge Raad dat de regels uit het arrest van 31 oktober 2014 niet zien op de comparitie na aanbrengen in hoger beroep (rov. 3.9). Die comparitie vindt immers plaats op een moment waarop nog geen sprake is geweest van een schriftelijke uitwisseling van partijstandpunten, en dient er veelal met name toe de mogelijkheid van een schikking te beproeven en afspraken over het procesverloop te maken. Bovendien kan na de stukkenwisseling nog een mondelinge behandeling plaatsvinden, waarop dan de regels van het arrest van 2014 van toepassing zijn.

Voor advocaten is het dus zaak na een of meer tussenuitspraken goed op te letten. Partijen zullen zelf moeten informeren of wijziging is opgetreden in de samenstelling van de kamer ten opzichte van een eerdere mondelinge behandeling en zich moeten beraden over de vraag wat dit voor de verdere behandeling en rechterlijke oordeelsvorming kan betekenen.

Share This