Selecteer een pagina

HR 1 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:987

De voorwaarde van zekerheidstelling bij de uitvoerbaarverklaring van een vonnis houdt geen bevel tot zekerheidstelling in en heeft evenmin het karakter van een verbod om tot tenuitvoerlegging over te gaan zonder zekerheid te stellen. Van een ‘hoofdveroordeling’ in de zin van de wettelijke bepalingen over dwangsommen is daarmee geen sprake. Een rechter kan om die reden geen dwangsom verbinden aan deze voorwaarde tot het stellen van zekerheid.

In dit geschil is Ritzenhoff c.s. door de voorzieningenrechter veroordeeld om in twaalf termijnen € 2.000.000 te betalen aan verweerster. Zijn vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Ritzenhoff c.s. stellen hoger beroep in en beginnen een incident, waarin zij zekerheidstelling door de verweerster vorderen, zoals bedoeld in art. 235 Rv. Zij verzoeken de rechter deze veroordeling te versterken met een dwangsom. Het hof oordeelt dat verweerster binnen zeven dagen na de dagtekening van het arrest zekerheid moet stellen in de vorm van een bankgarantie, op straffe van een dwangsom van € 15.000 voor iedere dag dat verweerster niet aan deze voorwaarde voldoet, met een maximum van € 250.000.

Hoewel A-G Wesseling-Van Gent concludeerde tot verwerping van het tegen de oplegging van deze dwangsom gerichte middel, hield het oordeel in cassatie geen stand. De Hoge Raad stelt voorop dat uit het karakter van de dwangsom van art. 611a lid 1 Rv, en uit de gemeenschappelijke memorie van toelichting op de Eenvormige Wet, waarop de dwangsommenregeling is gebaseerd, moet worden afgeleid dat de hoofdveroordeling een noodzakelijke voorwaarde is voor het opleggen van een dwangsom. Hieruit volgt dat art. 611a lid 1 Rv uitsluitend ziet op veroordelende uitspraken, waarbij de rechter beveelt iets te doen of niet te doen dan wel een zaak te geven (r.o. 3.2).

Art. 233 lid 3 Rv en art. 235 Rv bepalen dat de rechter bij vonnis of bij incident in hoger beroep aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een vonnis de voorwaarde kan verbinden dat de partij met een executoriale titel zekerheid verschaft aan de veroordeelde. Wanneer de rechter deze voorwaarde tot zekerheidstelling oplegt, is het vonnis pas uitvoerbaar bij voorraad indien aan de opschortende voorwaarde van zekerheidstelling is voldaan. Indien geen zekerheid wordt gesteld, is het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad en schorst het aanwenden of het aangewend zijn van een rechtsmiddel de tenuitvoerlegging van het vonnis.

Daarmee is de veroordeling van een rechter tot het stellen van zekerheid, zoals bedoeld in art. 233 lid 3 en art. 235 Rv geen hoofdveroordeling in de zin van art. 611a lid 1 BW. De voorwaarde houdt immers geen bevel tot zekerheidstelling in en heeft evenmin het karakter van een verbod om tot tenuitvoerlegging over te gaan zonder zekerheid te stellen. Het hof heeft daarom ten onrechte een dwangsom verbonden aan de verplichting van verweerster tot het stellen van zekerheid op grond van art. 235 Rv (r.o. 3.5).

De Hoge Raad doet de zaak vervolgens zelf af. Het tussenarrest van het hof (over het incident) vernietigt hij, maar uitsluitend voor zover daarin aan de voorwaarde van zekerheidstelling een dwangsom is verbonden. De vordering van Ritzenhoff c.s. tot oplegging van een dwangsom voor het geval niet aan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt voldaan, wijst hij af. Bij eindarrest had het hof de dwangsommen opgeheven. Ook dat oordeel vernietigt de Hoge Raad.

Share This