Selecteer een pagina

HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2101

Het antwoord op de vraag of de nietigheid van het exploot moet worden uitgesproken op de grond dat daarin vermelding van de woonplaats van verweerster ontbreekt hangt ervan af of aannemelijk is dat verweerder door dit gebrek onredelijk is benadeeld in een belang dat wordt beschermd door de geschonden norm. 

Eiser tot cassatie heeft het oproepingsbericht en de procesinleiding bij exploot doen betekenen aan verweerster. Op het exploot waarbij het oproepingsbericht is betekend, wordt de woonplaats van verweerster niet vermeld, omdat zij haar gegevens in de Basisregistratie Personen (BRP) heeft laten voorzien van een geheimhoudingsindicatie. De gerechtsdeurwaarder vermeldt wel dat hij het exploot heeft achtergelaten op het in de BRP geregistreerde adres.

De vraag rijst of tegen verweerster verstek mag worden verleend. Bij de beantwoording van deze vraag zet de Hoge Raad het relevante juridische kader uitgebreid uiteen (rov. 2.3.2-2.3.11). Hij brengt in herinnering dat als een exploot lijdt aan een gebrek dat tot nietigheid daarvan leidt, dit rechtsgevolg slechts op zijn plaats is als degene voor wie het exploot is bestemd, door het gebrek onredelijk is benadeeld in een belang dat door de geschonden norm wordt beschermd. Hij voegt hier nu aan toe dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat die onredelijke benadeling moet zien op een verdedigingsbelang van de verweerder (rov. 2.3.4).

Aangezien art. 45 lid 3 Rv – dat bepaalt dat het exploot de woonplaats moet vermelden – dient ter identificatie van de in het exploot genoemde personen, is volgens de Hoge Raad van onredelijke benadeling géén sprake als geen misverstand kan bestaan over de identiteit van deze personen. In dat geval brengt het achterwege laten van de vermelding van de woonplaats van eiser of verweerder dus geen nietigheid van het exploot mee (rov. 2.3.6).

De Hoge Raad voegt hier aan toe dat dit achterwege laten in de regel niet zal leiden tot identificatieproblemen aan de zijde van de verweerder, omdat uit de overige inhoud van het exploot doorgaans voldoende duidelijk zal blijken welke personen daarin zijn bedoeld (rov. 2.3.7). Bestaat daarover toch twijfel, dan kan de rechter een herstelexploot bevelen (rov. 2.3.8). Voor nietigverklaring zal in het algemeen dus geen plaats zijn (rov. 2.3.9).

Tegen deze achtergrond oordeelt de Hoge Raad dat de rechter in beginsel moet uitgaan van de juistheid van de betekening aan een geheim adres (rov. 2.3.9), maar dat de gemeente waarin eiser of verweerder zijn woonplaats heeft wel moet worden vermeld (rov. 2.3.10). Overeenkomstig het voorgaande leidt ook het achterwege daarvan in het concrete geval pas tot nietigheid als onduidelijkheid bestaat over de identiteit van eiser of verweerder (rov. 2.3.10).

De Hoge Raad verleent in dit geval verstek tegen verweerster, omdat bij verweerster redelijkerwijs geen twijfel kon bestaan dat zij degene is voor wie het exploot is bestemd (rov. 2.4).

Share This