Selecteer een pagina

HR 1 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:495

De erfgenamen kunnen daarom niet zelf als zodanig voor de nalatenschap optreden. Gevolgen daarvan voor de ontvankelijkheid in cassatie en voor de vraag of sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding.

Achtergrond van de zaak

Na het overlijden van een erflater vordert een van zijn drie kinderen jegens de executeur van de nalatenschap betaling van de legitieme portie. De executeur vordert in reconventie een verklaring voor recht dat deze legitieme portie nihil bedraagt. De rechtbank heeft de vordering in conventie afgewezen en de vordering in reconventie toegewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd, de vordering in conventie toegewezen en de vordering in reconventie afgewezen.

De executeur van de nalatenschap heeft principaal cassatieberoep ingesteld. De vraag rijst of de executeur optreedt als privatief vertegenwoordiger van de andere twee kinderen van de erflater (zussen van verweerder in cassatie). De executeur heeft namelijk geklaagd dat het hof ambtshalve de gelegenheid had moeten bieden om de zussen in het geding te betrekken, omdat sprake zou zijn van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Bovendien heeft de executeur in cassatie de twee zussen als partij in het geding opgeroepen. De zussen zijn verschenen en hebben incidenteel cassatieberoep ingesteld. In zoverre rijst de vraag of de executeur en de zussen in deze cassatieberoepen kunnen worden ontvangen.

Hoge Raad

De Hoge Raad stelt voorop dat de executeur optreedt als privatief vertegenwoordiger van de erfgenamen:

“3.3     Art. 4:80 BW houdt in dat de legitimaris die aanspraak op de legitieme portie maakt, ter zake daarvan een vordering heeft op de gezamenlijke erfgenamen. De schuld ter zake van een legitieme portie waarop krachtens art. 4:80 BW aanspraak wordt gemaakt, is een schuld van de nalatenschap (art. 4:7 lid 1, onder g, BW). Op grond van art. 4:144 lid 1 BW heeft de executeur tot taak de schulden van de nalatenschap te voldoen. De executeur vertegenwoordigt gedurende zijn beheer bij de vervulling van zijn taak de gezamenlijke erfgenamen in en buiten rechte (art. 4:145 lid 2 BW). De executeur treedt daarbij op als privatief vertegenwoordiger van de erfgenamen. Dat betekent dat de erfgenamen niet zelf als zodanig voor de nalatenschap kunnen optreden.”

De Hoge Raad overweegt dat in dit geval vast staat dat erflater verweerder in cassatie bij testament heeft onterfd (rov. 3.2), en dat het testament bepaalt dat de executeur bij de vervulling van zijn taak de gezamenlijke erfgenamen in en buiten rechte vertegenwoordigt (rov. 3.4).

Voor de beoordeling van de beide cassatieberoepen betekent dit het volgende. Aangezien de zussen in dit geding als erfgenamen door de executeur worden vertegenwoordigd, is de executeur niet ontvankelijk in het principale cassatieberoep voor zover dit tegen hen is gericht (rov. 3.5) en zijn de zussen evenmin ontvankelijk in het door hen ingestelde incidentele cassatieberoep (rov. 5). Om dezelfde reden faalt de klacht van de executeur dat het hof ambtshalve de gelegenheid had moeten bieden om de zussen in het geding te betrekken, omdat sprake zou zijn van een processueel ondeelbare rechtsverhouding (rov. 4.1-4.2).

Afdoening

De executeur wordt dus gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard in het principaal cassatieberoep. Voor het overige wordt dat beroep verworpen. De zussen worden niet-ontvankelijk verklaard in het incidenteel cassatieberoep. Deze afdoening is in overeenstemming met de conclusie van A-G G. Snijders.

Share This