HR 1 juni 2012, LJN BV8216 

De biologische moeder die in appel niet was verschenen, maar wel als belanghebbende was aangemerkt en op wiens brieven door het hof acht is geslagen, dient in cassatie als verschenen belanghebbende te worden beschouwd. 

Wanneer in een verzoekschriftprocedure cassatieberoep wordt ingesteld, worden de in de vorige instantie “verschenen” personen daarvan op de hoogte gesteld. Dit volgt uit art. 426b Rv, waarin is voorgeschreven dat de griffier bij de Hoge Raad onverwijld een afschrift van het verzoekschrift toezendt aan deze personen, met de vermelding dat zij – binnen drie weken na toezending van het verzoekschrift – een verweerschrift bij de Hoge Raad kunnen indienen. De Hoge Raad kan in een bepaald geval een andere termijn voor de indiening van het verweerschrift vaststellen.

Zie voor een vergelijkbare regeling in hoger beroep onder meer art. 361 Rv en (voor personen- en familierecht, anders dan scheidingszaken) art. 806 lid 2 jo. 800 en 801 Rv.

De term “in de procedure verschijnen” wordt in verzoekschriftprocedures gebruikt voor het zich stellen van een belanghebbende. Daarvan is in de regel sprake als door of namens de belanghebbende een verweerschrift wordt ingediend of als deze alsnog bij de mondelinge behandeling verweer voert. In zaken waarin partijen niet in persoon kunnen procederen kan een belanghebbende ook in de procedure verschijnen doordat een procureur schriftelijk aan het gerecht meedeelt dat hij zich stelt, zonder een verweerschrift in te dienen (zie HR 26 juni 2009, LJN BH9287, in welke zaak de auteur als cassatieadvocaat van verweerder optrad).

In de onderhavige zaak was de vraag aan de orde of een persoon die niet in de procedure was verschenen, maar wel als belanghebbende haar zienswijze kenbaar had gemaakt, toch een afschrift van het verzoekschrift in cassatie toegezonden had moeten krijgen. De feiten zijn – kort gezegd – als volgt.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft een verzoekschrift ingediend met betrekking tot de voogdij over een kind dat is geboren in Polen, maar nu in Nederland verblijft. In de appelprocedure heeft het hof aan de biologische moeder – die nog in Polen woont – per aangetekende brief gevraagd of zij gehoord wilde worden, dan wel of zij haar mening per brief kenbaar wilde maken. De moeder heeft daarop een brief in de Poolse taal aan het hof verzonden. Enige tijd later heeft het hof een Nederlandse vertaling van die brief ontvangen. Het hof heeft de biologische moeder van het kind als belanghebbende aangemerkt en bij zijn beslissing acht geslagen op de inhoud van haar brieven. Nadat cassatieberoep is ingesteld is de biologische moeder – die formeel niet in de procedure in vorige instantie was verschenen – door de griffie van de Hoge Raad niet over het cassatieberoep ingelicht.

A-G mr. Huydecoper meent dat dit niet juist is en heeft geconcludeerd tot aanhouding van de procedure, opdat de biologische moeder alsnog in de gelegenheid kan worden gesteld haar zienswijze kenbaar te maken. Hij overweegt (par. 9), onder verwijzing naar HR 7 december 2001, NJ 2002, 38 en HR 6 november 1998, NJ 1999, 117:

“Het ligt in de rede dat, nu het hof de moeder van [de minderjarige] in de gelegenheid heeft gesteld om zich uit te spreken, en de betrokkene zich ook daadwerkelijk per brief heeft uitgesproken, zij als in de appelinstantie verschenen is aan te merken, dan wel met een verschenen partij op een lijn moet worden gesteld.”

De A-G betrekt bij deze overweging ook de vraag of het uitmaakt in hoeverre de inbreng van de moeder invloed zal hebben op de uitkomst van de procedure, of dat een spoedige beslissing wenselijk is. Hij beantwoordt deze vraag ontkennend: dergelijke omstandigheden kunnen er niet toe leiden dat aan de oproeping van de moeder in het cassatiegeding voorbij kan, of moet worden gegaan, aldus de A-G (par. 9):

“Achterwege laten van behoorlijke oproeping van iemand die de wet als rechtmatige belanghebbende aanwijst, kan dan niet worden gebillijkt, ook wanneer het zich opdringt dat de deelname van de betrokkene aan het geding geen invloed op de uitkomst kan hebben. Het fundamentele beginsel dat een rechtmatige belanghebbende over een beslissing die zijn belangen raakt moet worden gehoord, staat daaraan in de weg.”

De Hoge Raad volgt de conclusie van de A-G inzake de aanhouding en oordeelt dat, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, de biologische moeder op een lijn moet worden gesteld met een verschenen belanghebbende (rov. 3.3):

“Onder deze omstandigheden moet de biologische moeder, aan wie de griffier geen afschrift van het verzoekschrift in cassatie heeft toegezonden, op een lijn worden gesteld met een verschenen belanghebbende. Aan haar behoort dan ook alsnog een afschrift van dat verzoekschrift te worden toegezonden, met vermelding van de in art. 426b Rv. bedoelde termijn. De Hoge Raad zal voor dit geval een langere dan de in de wet bepaalde termijn voor de indiening van een verweerschrift vaststellen.”

De Hoge Raad beslist dat de griffier alsnog een afschrift van het verzoekschrift en een afschrift van de conclusie van de Procureur-Generaal moet toezenden aan de biologische moeder, met de vermelding dat zij binnen een termijn van twee maanden na verzending van die afschriften een door een advocaat bij de Hoge Raad getekend verweerschrift ter griffie van de Hoge Raad kan indienen.

De Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg worden in cassatie bijgestaan door Ans van Duijvendijk-Brand.

Share This