Https://cassatieblog.nl maakt gebruik van cookies voor webanalyse en social media sharing. Google Analytics analyseert met behulp van cookies hoe de website wordt gebruikt. Daarnaast toont Https://cassatieblog.nl knoppen om informatie te delen op sociale media. Deze knoppen worden enkel weergegeven als u toestemming geeft cookies te plaatsen op uw computer. Meer informatie vindt u in ons Privacyverklaring.
weigeren accepteren

Geen doorbreking rechtsmiddelenverbod op enkele klacht dat wettelijke regel niet in acht is genomen

CB 2018-81 Geplaatst op 07 mei 2018 door

HR 4 mei ECLI:NL:HR:2018:684

De enkele klacht dat een wettelijke regel niet in acht is genomen, is volgens vaste rechtspraak onvoldoende voor doorbreking van een rechtsmiddelenverbod. Dat geldt in beginsel ook indien het gaat om vrijheidsbeneming en het (dus) een regel betreft die onderdeel is van een wettelijk voorgeschreven procedure als bedoeld in art. 5 lid 1 EVRM

Kort na elkaar zijn bij de Hoge Raad twee Bopz-zaken aanhangig gemaakt, waarin de betekenis van het nieuwe art. 30p Rv, over het doen van mondelinge uitspraak, aan de orde werd gesteld. In een van de zaken, waarin regulier cassatieberoep openstond, heeft de Hoge Raad op 20 april 2018  uitspraak gedaan, besproken in CB 2018-74. In de tweede zaak ging het om een verzoek tot een machtiging van voortzetting van de inbewaringstelling.

Ingevolge art. 29 lid 5 Wet Bopz staat geen gewoon rechtsmiddel open tegen de beschikking van de rechtbank in deze zaak, een verzoek om verlenging van de inbewaringstelling. Maar als wordt geklaagd over het niet in acht nemen van een essentiële waarborg voor het grondrecht op vrijheid, in die zin dat niemand van zijn vrijheid mag worden beroofd buiten de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, bestaat grond voor doorbreking van dit verbod en staat cassatieberoep open (zie onder meer HR 26 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD4375, NJ 2008/607).

De klacht dat de rechter in strijd met art. 30p Rv mondeling uitspraak had gedaan omdat de officier van justitie niet ter zitting aanwezig was, komt er volgens de Hoge Raad op neer dat de rechtbank in dit geval op verkeerde (want in strijd met de wet zijnde) wijze uitspraak heeft gedaan, door haar beslissing en de (belangrijkste) gronden daarvoor aanstonds mondeling ter zitting mede te delen, terwijl de officier van justitie niet ter zitting aanwezig was, en vervolgens die uitspraak schriftelijk uit te werken en beschikbaar te stellen. Die klacht kan niet leiden tot doorbreking van het rechtsmiddelenverbod:

“Daarmee betreft de klacht niet een essentiële waarborg voor het grondrecht op vrijheid in de hiervoor (..) bedoelde zin. De daar bedoelde doorbrekingsgrond doet zich derhalve niet voor. De enkele klacht dat een wettelijke regel niet in acht is genomen, is volgens vaste rechtspraak onvoldoende voor doorbreking van een rechtsmiddelenverbod (zie onder meer HR 29 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5013, NJ 2011/501). Dat geldt in beginsel ook indien het gaat om vrijheidsbeneming en het (dus) een regel betreft die onderdeel is van een wettelijk voorgeschreven procedure als bedoeld in art. 5 lid 1 EVRM, zoals in dit geval.”.

Betrokkene is dus niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep.

mTen overvloede overweegt de Hoge Raad dat de klacht op een onjuist rechtsopvatting berust, met een verwijzing naar zijn al genoemde uitspraak van 20 april 2018.

email print