Selecteer een pagina

HR 16 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:365

Er hoeft geen inzage in een door een deskundige uitgevoerde medische analyse te worden verstrekt als dit in strijd zou komen met het uit art. 6 EVRM voortvloeiende recht om verweerders de vrijheid te bieden hun eigen processtrategie te bepalen. Het afwijzen van een exhibitievordering op grond van een dergelijke gewichtige reden in de zin van art. 843a lid 4 Rv komt niet in strijd met het doel van richtlijn 95/46/EG, omdat het hier niet gaat om persoonsgegevens in de zin van de richtlijn.

Procedure

Eiseres heeft de gynaecoloog en het ziekenhuis aansprakelijk gesteld wegens een geconstateerde dwarslaesie nadat zij bevallen was door middel van een keizersnede waarbij een verlostang was gebruikt. De rechtbank heeft de schade als gevolg van de dwarslaesie ex aequo et bono voor de helft toegerekend aan de verweerders. Verweerders zijn in appel gegaan en eiseres heeft incidenteel appel ingesteld. In het incidenteel appel vordert zij op grond van art. 843a Rv inzage in een medische analyse van een deskundige, die op verzoek van het ziekenhuis was opgesteld op basis van medische gegevens die betrekking hebben op de zoon. Het hof heeft deze exhibitievordering afgewezen. Hiertegen heeft zij cassatieberoep ingesteld.

Borgersbrief

De conclusie van A-G Hartlief strekt tot verwerping van het cassatieberoep. Beide advocaten hebben per borgersbrief gereageerd op de conclusie. De brief van de advocaat bevat een nieuwe stelling en wordt daarom in zoverre buiten beschouwing gelaten. Daarnaast bevat de brief een analyse van een nieuwe uitspraak van het Hof van Justitie. De analyse gaat verder dan het enkel attenderen op de uitspraak en moet daarom ook worden aangemerkt als een voortzetting van het debat, waarvoor in dit stadium geen plaats is.

Cassatie

In cassatie wordt geklaagd over de afwijzing van de incidentele vordering. De Hoge Raad vat eerst het oordeel van het hof samen:

3.3.1

Onderdeel 3 van het middel is gericht tegen de afwijzing van de vordering van [eiseres] in het incident (zie hiervoor in 3.2.2). Samengevat weergegeven heeft het hof die afwijzing als volgt gemotiveerd. Art. 843a Rv voorziet niet in een onbeperkt recht op inzage in bescheiden; de rechter kan de belangen van partijen afwegen (rov. 3.5). Een aanspraak op inzage in correspondentie die is gewisseld tussen de advocaat van een procespartij en de door die advocaat geraadpleegde deskundige(n), maakt inbreuk op het recht van die partij om haar eigen procespositie te kunnen bepalen (rov. 3.6). Het gaat hier alleen om een medische analyse van bestaande gegevens, welke analyse niet door de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) wordt beschermd (rov. 3.7). [eiseres] staan voldoende andere mogelijkheden ten dienste om zelf een deskundige duiding van die gegevens te verkrijgen (rov. 3.8).

Toetsingskader

Het hof heeft de vordering afgewezen op grond van art. 843a lid 4 Rv. Een verplichting van verweerders om inzage te bieden in correspondentie die is gewisseld door hun advocaat en door een geraadpleegde deskundige zou in strijd komen met het uit art. 6 EVRM voortvloeiende recht om de verdediging in vrijheid en beslotenheid voor te bereiden. Het hof acht dat gewichtige redenen in de weg staan aan toewijzing van de exhibitievordering.

Eiseres klaagt onder meer dat het hof, om de vordering toe te wijzen, het toetsingskader van de (art. 35) Wbp had moeten hanteren. Deze klacht faalt: de vordering is gebaseerd op art. 843a Rv en deze bepaling heeft zijn eigen toepassingsgebied. Het hof heeft terecht het toetsingskader van art. 843a Rv gehanteerd (3.3.2).

Persoonsgegevens

Het onderdeel betoogt verder dat het hof bij de afweging van belangen op de voet van art. 843a lid 4 (gewichtige redenen) doorslaggevende betekenis had moeten hechten aan de omstandigheid dat de stukken waarvan inzage wordt gevorderd, betrekking hebben op persoonsgegevens van de zoon in de zin van de Wbp. De Hoge Raad oordeelt:

3.3.3 (…) [eiseres] vordert geen inzage in medische gegevens van [de zoon] , maar inzage in een medische analyse die de deskundige Lequin aan de hand van zodanige gegevens heeft gemaakt op verzoek van [verweerders] , derhalve de partijen die door [eiseres] wegens een (beweerde) beroepsfout aansprakelijk zijn gesteld. Het hof heeft dit geval terecht gelijkgesteld met het geval waarop het arrest van het HvJEU van 17 juli 2014, gevoegde zaken C-141/12 en C-372/12, ECLI:EU:C:2014:2081, betrekking heeft. Voor zover hier van belang stelt Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEU 1995, L 281/31), die door de Wbp is geïmplementeerd, de betrokkene in staat te controleren of zijn persoonsgegevens juist zijn en rechtmatig zijn verwerkt, ter bescherming van het recht van betrokkene op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
Die controle kan dan leiden tot rectificatie, uitwissing of afscherming van de gegevens. De onderhavige vordering van [eiseres] is gericht op verkrijging van informatie ten behoeve van de onderhavige procedure en niet op het doel waartoe Richtlijn 95/46/EG strekt (anders dan bijvoorbeeld het geval was in het hiervoor in 2 vermelde arrest van het HvJEU van 20 december 2017). Het gaat hier dus niet om persoonsgegevens in de zin van die richtlijn. Vgl. het hiervoor vermelde arrest van het HvJEU van 17 juli 2014, punten 44-46. Het hof heeft daarom terecht geoordeeld dat [eiseres] aan de Wbp niet een recht op verstrekking van de medische analyse van Lequin kan ontlenen.

De vordering is dus gericht op het verkrijgen van informatie voor deze procedure en niet op het doel waartoe richtlijn 95/46/EG strekt. In HvJEU 17 juli 2014 werd geoordeeld dat het doel van de richtlijn is dat de bescherming van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de aanvrager gewaarborgd. Het doel is niet een recht van toegang tot bestuurlijke documenten te verzekeren. In deze procedure is niet sprake van een medisch onderzoek, maar van een medische analyse van bestaande gegevens. Evenals de juridische analyse in de vergelijkbare door het HvJEU berechte zaak bevat die analyse geen informatie over de belanghebbende die door de belanghebbende zelf gecontroleerd kan worden op de juistheid ervan. Daarom kan niet worden gesproken van persoonsgegevens in de zin van de richtlijn.

Het hof heeft terecht de vordering afgewezen en verweerders hebben door het ter beschikking stellen van het volledige medische dossier en een verklaring in eerste aanleg voldaan aan hun verplichting om voldoende feitelijke gegevens of aanknopingspunten te verschaffen ten behoeve van haar eventuele bewijslevering.

Share This