HR 21 oktober 2011, LJN ECLI:NL:HR:2011BS1687 (PPC/Aqualectra)

Niet-tijdige boeking van het griffierecht in de rekening-courant tussen de griffier van de Hoge Raad en het kantoor van de cassatieadvocaat die aan de griffier van de Hoge Raad valt toe te rekenen, leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van de verzoeker tot cassatie.

Gelukkig houdt de Hoge Raad sinds de invoering van de Wet griffierechten in burgerlijke zaken (Wgbz) oog voor de praktijk.

Zoals bekend wordt sinds 1 januari 2011 het griffierecht “aan de poort” geheven. De termijn voor betaling is vier weken na de eerste roldatum, dan wel (in rekestzaken) vier weken na de indiening van het verzoekschrift (art. 3 lid 3 en 4 Wgbz). Te laat betalen door de eiser/verzoeker is in principe fataal: in dagvaardingszaken wordt de gedaagde van de instantie ontslagen (art. 127a lid 2 Rv), in rekestzaken wordt de verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek (art. 282a lid 2 Rv). De rechter heeft wel een (discretionaire) bevoegdheid om deze sanctie niet toe te passen, als dat zou leiden tot een “onbillijkheid van overwegende aard” (art. 127a lid 3; 282a lid 4 Rv). Dit systeem geldt ook in cassatie, met dit (formele) verschil dat bij niet-tijdige betaling in dagvaardingszaken niet-ontvankelijkheid wordt uitgesproken in plaats van ontslag van instantie (zie art. 409a en 427b Rv).

Advocatenkantoren die veel bij de Hoge Raad procederen, hebben een rekening-courant bij de griffie van de Hoge Raad. Dat is praktisch (want er worden geen individuele betalingsopdrachten meer gegeven), maar sinds de invoering van de Wgbz ook gevaarlijk (want er worden geen individuele betalingsopdrachten meer gegeven). De griffier van de Hoge Raad verricht de boekingen in de rekening-courant, maar het blijft uiteindelijk de verantwoordelijkheid van de cassatieadvocaat om in de gaten te houden dat tijdig is betaald. Wat daarbij niet helpt, is dat de rekening-courant wordt beheerd bij het Paleis van Justitie (samen met de rekeningen-courant met de rechtbank en het gerechtshof Den Haag), zodat ook de griffie van de Hoge Raad niet desgevraagd eenvoudig kan nagaan of het griffierecht al is geboekt. Een overzicht van de rekening-courant wordt – voor zover ik weet – ook maar eens per maand verstrekt. Dat is dus behoorlijk riskant, nu de betalingstermijn maar vier weken is.

In deze (Curaçaose) cassatiezaak ging het mis. De cassatieadvocaat had een rekening-courant, had vóór de inwerkingtreding van de Wgbz alvast aan de Hoge Raad verzocht om voortaan alle griffierechten via de rekening-courant in rekening te brengen, en had ook nog eens bij de aanbieding van het verzoekschrift verzocht het griffierecht in de rekening-courant te boeken. Door een administratieve vergissing bij de griffie van de Hoge Raad werd het griffierecht echter te laat afgeschreven. Niet-ontvankelijk?

Nee, zegt de Hoge Raad, dit is nu echt een geval voor de hardheidsclausule (r.o. 3.5):

“De Hoge Raad stelt vast dat PPC reeds met de brief van 15 december 2010 al hetgeen harerzijds nodig was heeft laten doen om de tijdige betaling van het voorlopige griffierecht te bewerkstelligen en dat de niet tijdige afboeking daarvan aan de griffier van de Hoge Raad valt toe te rekenen. Bij deze stand van zaken behoort geen toepassing te worden gegeven aan het tweede lid van art. 282a.”

Het is natuurlijk redelijk dat een fout van de griffie niet voor rekening van de verzoeker tot cassatie (of diens advocaat) komt, maar met de uitspraak komt de Hoge Raad de cassatieadvocatuur nog veel verder tegemoet: “reeds” de algemene brief waarin het advocatenkantoor had verzocht voortaan de verschuldigde griffierechten in rekening-courant te boeken, was voldoende om het risico van niet-tijdige betaling aan de zijde van de verzoeker weg te halen. Dit geldt uiteraard voortaan ook voor rechtbanken en hoven waarmee een rekening-courantverhouding bestaat.

Intrigerend is verder de gedachte van A-G Wesseling-van Gent (die de Hoge Raad overigens niet lijkt te volgen) dat, als je als advocaat een rekening-courantverhouding met een griffie hebt, de betaling misschien al plaatsvindt door de enkele indiening van het processtuk: verrekening in rekening-courant vindt immers van rechtswege plaats (art. 6:140 lid 1 BW), dus zodra er een schuld ontstaat, kan die worden geacht te zijn verrekend (en dus voldaan). Of dat klopt, zal afhangen van de precieze inhoud van de rekening-courantovereenkomst, maar ik vermoed dat die over het algemeen niet al te veel bijzonderheden zal bevatten (misschien een maximum debetsaldo?). De debitering door de griffie zou dan slechts een administratieve handeling zijn, die geen invloed heeft op het verschuldigde saldo, dat al gemuteerd was doordat het griffierecht verschuldigd was geworden.

De uitspraak lost één onhandigheid van het nieuwe stelsel nog niet op. Tegen de heffing van griffierecht kan verzet worden ingesteld. Anders dan onder de oude wet (de Wtbz) het geval was, moet het verzet tegenwoordig worden ingesteld binnen een maand na de betaling (art. 29 lid 1 Wgbz). Het blijft dus zaak voor advocaten, ook wanneer zij een rekening-courantverhouding met de griffie hebben, zelf te controleren of het juiste griffierecht in rekening is gebracht en zo nodig tijdig verzet in te stellen. Heeft A-G Wesseling-van Gent gelijk dat de betaling van rechtswege plaatsvindt, dan eindigt die termijn bovendien niet pas een maand na de boeking door de griffie, maar al een maand na de eerste rechtsdag of de dag van indiening van het verzoekschrift.

Share This