Selecteer een pagina

HR 22 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:100 (Aerdenburgh/Verweerders)

De sanctie van art. 127a lid 2 Rv, die inhoudt dat bij niet-tijdige betaling van het griffierecht door de eiser (of appellant), de gedaagde (of geïntimeerde) van de instantie wordt ontslagen, is uitsluitend gegeven om tijdige betaling af te dwingen. De sanctie strekt niet ter bescherming van de gedaagde/geïntimeerde. Daarom komt hem geen rechtsmiddel toe, ook niet met een beroep op een doorbrekingsgrond.

Als de eiser het griffierecht niet tijdig betaalt, wordt de gedaagde op grond van art. 127a lid 2 Rv van de instantie ontslagen. Art. 127a lid 3 Rv bepaalt dat de rechter deze sanctie buiten toepassing kan laten als hij van oordeel is dat een onbillijke situatie zal ontstaan, gelet op het belang van één of meer van de partijen bij toegang tot de rechter (de “hardheidsclausule”). Voorbeeld is een fout bij de administratieve verwerking van de betaling of een computerstoring bij de rechtbank (zie bijvoorbeeld HR 4 november 2011, CB 2011-84). Op grond van art. 127a lid 4 Rv staat tegen beslissingen ingevolge lid 2 en lid 3 geen hogere voorziening open.

In deze zaak had de appellante het griffierecht bij het hof één dag te laat betaald. Het hof oordeelde dat dit leidde tot een onbillijke situatie en liet art. 127a lid 2 buiten toepassing (r.o. 2.1-2.3). De geïntimeerde kwam hiertegen op in cassatie. Het middel voerde aan dat het appelverbod in dit geval wordt doorbroken omdat het klaagt dat het hof een fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd door de geïntimeerde niet te horen alvorens zijn beslissing te geven.

A-G Wesseling-van Gent concludeert dat dit onderdeel zou moeten slagen. Het beginsel van hoor en wederhoor vloeit volgens haar voort uit art. 127a lid 2 Rv in de situatie waarin het hof ambtshalve in het nadeel van de wederpartij van de niet tijdige betalende partij heeft beslist. Ook meent de A-G dat de omstandigheid dat het griffierecht één dag te laat is voldaan geen grond oplevert voor toepassing van art. 127a lid 3 Rv. Zij verwijst hierbij naar eerdere rechtspraak van de Hoge Raad (HR 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9210 en HR 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5607).

De Hoge Raad oordeelt echter anders en overweegt:

“De sanctie van art. 127a lid 2 Rv, inhoudende dat bij niet-tijdige betaling van het griffierecht door de eiser, de gedaagde van de instantie wordt ontslagen, is uitsluitend gegeven om de tijdige betaling van het griffierecht af te dwingen (Kamerstukken II 2008-2009, 31 758, nr. 3, p. 5, 7-8 en 17-18, en nr. 6, p. 17-18). Die sanctie strekt niet ter bescherming van enig recht of belang van de gedaagde. De gedaagde komt daarom geen rechtsmiddel toe tegen de beslissing terzake, ook niet met een beroep op een doorbrekingsgrond. Hetzelfde geldt voor de geïntimeerde als het, zoals in dit geval, gaat om de vraag of art. 127a lid 2 Rv moet worden toegepast jegens de appellant.”

De eiser of appellant die zijn zaak met een ontslag van instantie wegens te late betaling van griffierecht ziet eindigen kan dus wel met een beroep op een doorbrekingsgrond een rechtsmiddel tegen dat oordeel instellen, maar de gedaagde/geïntimeerde bij het uitblijven van deze sanctie niet.

Overigens volgt in deze zaak uiteindelijk toch een vernietiging, omdat het hof volgens de Hoge Raad de devolutieve werking van het appel heeft miskend.

Share This