HR 5 oktober 2012, LJN BV6698 (X/BASF Nederland B.V.)

Een geparafeerd geschrift kan gelden als een akte in de zin van art. 156 lid 1 Rv als de paraaf de desbetreffende persoon in voldoende mate individualiseert. De omstandigheid dat de persoon die de paraaf of handtekening plaatst de taal waarin het geschrift is opgesteld niet machtig is, staat daaraan niet in de weg.

Akten en hun bewijskracht

Art. 156 lid 1 Rv definieert akten als “ondertekende geschriften, bestemd om tot bewijs te dienen”. Akten kunnen worden onderscheiden in authentieke akten en onderhandse akten. Art. 156 lid 1 Rv geeft een uitgebreide definitie van “authentieke akten”, terwijl art. 156 lid 3 Rv enkel bepaalt dat onderhandse akten alle akten zijn die niet authentieke akten zijn. Authentieke akten leveren tegen een ieder dwingend bewijs op van hetgeen de ambtenaar binnen de kring van zijn bevoegdheid omtrent zijn waarnemingen en verrichtingen heeft verklaard (art. 157 lid 1 Rv).

Een authentieke of onderhandse akte levert ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring, tenzij dit zou kunnen leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat (art. 157 lid 2 Rv). Dwingend bewijs houdt in dat de rechter, behoudens tegenbewijs, verplicht is de inhoud van bepaalde bewijsmiddelen als waar aan te nemen dan wel verplicht is de bewijskracht te erkennen die de wet aan bepaalde gegevens verbindt (artikel 151 Rv). Als een geschrift geen akte is, heeft het vrije bewijskracht, de waardering van het bewijs is dan aan het oordeel van de rechter overgelaten (artikel 152 lid 2 Rv).

Feiten en procesverloop

Eiser tot cassatie was directeur-grootaandeelhouder van Grapofex en heeft bij koopovereenkomst van 18 april 2001 zijn aandelen Grapofex verkocht aan Ciba. Op 17 april 2001 heeft eiser met Grapofex een arbeidsovereenkomst gesloten op grond waarvan hij met terugwerkende kracht op 1 januari 2001 voor een periode van drie jaar in dienst is getreden van Grapofex. Deze arbeidsovereenkomst is als bijlage aan de koopovereenkomst gehecht. Voorts is in de arbeidsovereenkomst bepaald dat Grapofex de pensioenverplichtingen jegens eiser zal voortzetten, zoals beschreven in de Annex (hierna: de aanvullende arbeidsovereenkomst). De arbeidsovereenkomst en de aanvullende arbeidsovereenkomst zijn door de Head Legal Counsel van Ciba op iedere pagina geparafeerd. Eiser heeft bij de rechtbank, kort weergegeven, gevorderd dat Grapofex haar pensioenverplichtingen jegens hem zal nakomen. De rechtbank heeft de vorderingen van eiser deels toegewezen en deels afgewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

Paraaf voldoende voor ondertekening ex art. 156 Rv?

Met betrekking tot de vraag of de aanvullende arbeidsovereenkomst kon worden aangemerkt als een onderhandse akte in de zin van art. 156 lid 1 en 3 Rv oordeelde de rechtbank als volgt:

“De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat het enkele feit dat er een schriftelijke aanvullende arbeidsovereenkomst is, onvoldoende is om het bestaan van de daarin neergelegde, van de koopovereenkomst afwijkende, afspraken bewezen te achten. Aangezien deze aanvullende arbeidsovereenkomst niet door partijen is ondertekend, maar uitsluitend door een – niet Nederlands sprekende – medewerker van Ciba op 18 april 2001 is geparafeerd, is niet voldaan aan het vereiste van ondertekening in artikel 156 lid 1 en 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), hetgeen met zich meebrengt dat aan deze overeenkomst geen dwingende bewijskracht toekomt.”

In cassatie klaagt eiser primair dat niet valt in te zien waarom een paraaf (onder omstandigheden) niet als ondertekening in de zin van art. 156 Rv kan dienen. Daarnaast acht hij het onjuist dat het hof in zijn oordeel dat niet is voldaan aan het vereiste van ondertekening als bedoeld in art. 156 lid 1 Rv kennelijk heeft laten meewegen dat de parafering is geschied door een niet Nederlands sprekende persoon. Eiser meent dat het voor de vraag of een geschrift een onderhandse akte is als bedoeld in de artikelen 156 lid 1 en 3 Rv, niet van belang is of de partij die het desbetreffende geschrift heeft ondertekend, de Nederlandse taal machtig is.

De Hoge Raad acht deze klachten gegrond. Hij overweegt:

“Een geparafeerd geschrift kan gelden als een ondertekend geschrift in de zin van art. 156 lid 1 Rv indien de paraaf de desbetreffende persoon in voldoende mate individualiseert. De omstandigheid dat de persoon die de paraaf of handtekening plaatst de taal waarin het geschrift is opgesteld niet machtig is, staat daaraan niet in de weg. Het hof, dat op beide punten van het tegendeel is uitgegaan, heeft dus van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven.”

De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst het geding naar het hof Arnhem voor verdere behandeling en beslissing.

Share This