HR 7 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2254 (HP Nederland c.s. / Staat en Stichting De Thuiskopie)

De Hoge Raad bekrachtigt het oordeel van het hof Den Haag dat de thuiskopie-AMvB’s over de jaren 2013-2017 verbindend zijn. Onder meer de klachten over de toepasselijkheid van een ‘licentiemodel’ bij de bepaling van de billijke compensatie worden verworpen.

Op grond van art. 16c lid 1 Aw vormt het reproduceren (zoals kopiëren) van een werk door een natuurlijk persoon voor eigen gebruik (een ‘thuiskopie’) geen inbreuk op het auteursrecht op dat werk. Dit is een implementatie van de ‘thuiskopie-exceptie’ uit art. 5 lid 2 sub b van de Europese Auteursrechtrichtlijn. Men mag dus voor zichzelf kopieën maken van muziek of film die men legaal heeft verkregen. Wel is daarvoor een billijke vergoeding (billijke compensatie) verschuldigd. In Nederland wordt die vergoeding geïnd door middel van de ‘thuiskopieheffing’: wie een lege informatiedrager (opslagmedium) koopt, zoals een lege dvd of een smartphone, harddisk of tablet, betaalt een klein, forfaitair bedrag dat ten goede komt aan makers en artiesten. Het zijn echter de fabrikanten en importeurs van de opslagmedia die de heffing betalen (zij kunnen de heffing weer aan de consument doorberekenen in de prijs van hun producten). Stichting De Thuiskopie int de heffingen en zorgt dat ze verdeeld worden.

In de jaren 2013-2017 was in algemene maatregelen van bestuur (AMvB) vastgelegd op welke voorwerpen een heffing rustte en hoe hoog die heffing was. Fabrikanten en importeurs van opslagmedia vochten op een groot aantal gronden de geldigheid van AMvB’s aan. Die vorderingen zijn nu definitief door de Hoge Raad afgewezen, met toepassing van de verkorte motivering van art. 81 lid 1 RO.

Downloads uit illegale bron

In eerste aanleg hadden de importeurs nog gedeeltelijk succes met hun stelling dat de wetgever er ten onrechte van was uitgegaan dat de AMvB’s over 2013-2014 ook de schade compenseerden die rechthebbenden leden door kopieën (downloads) uit illegale bron. Uit het arrest ACI Adam/Thuiskopie uit 2014 bleek echter dat dat Europeesrechtelijk niet toegestaan is. De rechtbank oordeelde in haar vonnis vervolgens dat op zichzelf de AMvB’s (waarin niets is vermeld over de herkomst van de kopieën) richtlijnconform moesten en konden worden uitgelegd, zodat ze niet compenseerden voor kopieën uit illegale bron. Maar dan leden de AMvB’s met betrekking tot de vaststelling van de hoogte van de vergoeding aan een ander gebrek (‘schending van het verbod van willekeur’), volgens de rechtbank: als de illegale bron niet meer geacht werd mee te tellen, dan kon de wetgever niet volhouden dat de AMvB’s toch de juiste heffing bevatten. Die zou dan immers lager moeten zijn, namelijk verminderd met de ‘illegale bron’-component. Daarom waren de AMvB’s in zoverre onverbindend.

In hoger beroep ging dit oordeel onderuit, omdat de Staat aantoonde met een deskundigenrapport dat de heffing op de grond van de AMvB’s uiteindelijk een bedrag opleverde dat voldoende dicht in de buurt kwam bij het financiële nadeel dat de rechthebbenden leden door de thuiskopie-exceptie. Daarom oordeelde het hof dat de AMvB’s wel volledig rechtmatig en verbindend waren. Dit oordeel is nu bekrachtigd door de Hoge Raad.

Licentiemodel of substitutiemodel

De meest principiële vraag in cassatie ging erom hoe het nadeel van de rechthebbenden, dat door de thuiskopieheffing vergoed moet worden, berekend moest worden. De importeurs en fabrikanten gingen uit van het ‘substitutiemodel’: je zou moeten nagaan hoeveel originele exemplaren van de muziek/films door de consument aangeschaft zouden zijn als de consument geen thuiskopie had kunnen maken. De waarde van die exemplaren zou dan het nadeel vormen. De rechthebbende organisaties gaan daarentegen uit van het ‘licentiemodel’, dat ervan uitgaat dat elke thuiskopie een zekere waarde vertegenwoordigt, of de consument nu een origineel exemplaar zou hebben gekocht of niet. De deskundigen van de Staat in hoger beroep hadden – om pragmatische redenen – een berekening op basis van een licentiemodel gemaakt. Het hof oordeelde dat een licentiemodel op het juiste uitgangspunt gebaseerd was voor de berekening van de billijke compensatie, en een substitutiemodel niet. De klachten van de fabrikanten en importeurs dat alleen een substitutiemodel juist zou zijn, zijn door de Hoge Raad verworpen.

Vrijstelling bij zakelijk gebruik

Een ander geschilpunt dat ook in cassatie nog speelde, was het vereiste van een vrijstellings- of terugbetalingsregeling voor zakelijke gebruikers. Thuiskopieën kunnen alleen worden gemaakt door consumenten, dus als opslagmedia worden geleverd aan afnemers op de zakelijke markt, moet daar geen heffing op zitten; fabrikanten en importeurs moeten voor die dragers dus ofwel vrijgesteld zijn van betaling van de heffing, of ze moeten betaalde heffingen kunnen terugvorderen. In de AMvB’s staat hierover niets, maar het is aan Stichting De Thuiskopie, die door de minister daartoe is aangewezen,  om de wet in overeenstemming met het Europese recht uit te voeren. Op basis van het HvJEU-arrest Microsoft/SIAE, over het Italiaanse thuiskopiestelsel, betoogden de fabrikanten en importeurs dat de terugbetalingsregeling in de wet- en regelgeving zou moeten staan, en dat dit niet overgelaten zou mogen worden aan Stichting De Thuiskopie. Het hof verwierp dit standpunt, en de Hoge Raad nu ook.

De Staat is in deze procedure in drie instanties bijgestaan door de auteur, in feitelijke instanties samen met Meine Dijkstra.

Share This