HR 3 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:133

De artikelen 18-21 EEX-Verordening (hierna: “EEX-Vo”) staan eraan in de weg dat toepassing wordt gegeven aan de bevoegdheidsgronden van art. 5, aanhef en onder 1 en 3, EEX-Vo indien een vennootschap een persoon die de functies van directeur en van bestuurder van die vennootschap heeft bekleed, in rechte aanspreekt om de door die persoon in de uitoefening van die functies gemaakte fouten te doen vaststellen en schadevergoeding te verkrijgen. Hiervoor is vereist dat die persoon in zijn hoedanigheid van directeur en van bestuurder gedurende bepaalde tijd voor en onder het gezag van die vennootschap prestaties heeft verricht tegen beloning. De nationale rechter dient dit te verifiëren. 

Bevoegdheid op grond van de EEX-Verordening

De EEX-Vo (Verordening (EG) nr. 44/2001 ook  wel “Brussel I”, per 10 januari 2015 vervangen door Verordening (EU) nr. 1215/2012, “Brussel II”) bevat onder meer verwijzingsregels om te bepalen welk gerecht in een geschil met een internationale component – dat binnen de reikwijdte van de EEX-Vo valt – bevoegd is van dat geschil kennis te nemen. De EEX-Vo hanteert daarbij als hoofdregel dat de gedaagde wordt opgeroepen voor het gerecht waar hij zijn woonplaats heeft: het forum rei (art. 2 EEX-Vo). Daarbij bevatten de artikelen 5-7 EEX-Vo alternatieve bevoegdheidsregels op grond waarvan – naast het forum rei uit art. 2 EEX-Vo – tevens een ander gerecht als bevoegd gerecht kan worden aangewezen. Art. 5, aanhef en onder 1 en 3, ziet daarbij op respectievelijk verbintenissen uit overeenkomst en verbintenissen uit onrechtmatige daad. Afdeling 5 van de EEX-Vo bevat daarnaast specifieke regels voor de bevoegdheid voor individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst, waarmee grotendeels wordt afgeweken van de overige bevoegdheidsregels (art. 18 lid 1 EEX-Vo). Op grond van art. 20 EEX-Vo kan de vordering van de werkgever slechts worden gebracht voor de gerechten van de lidstaat waarvan de werknemer woonplaats heeft.

In de hierna te bespreken zaak is de vraag aan de orde of een gerecht aan art. 5, aanhef en onder 1 en 3, EEX-Vo bevoegdheid kan ontlenen indien een vordering mede is gebaseerd op een arbeidsovereenkomst. Of verzetten de artikelen 18-21 EEX-Vo zich daartegen? 

Achtergrond van deze zaak

Deze zaak betreft een geschil tussen een in Markelo gevestigde vennootschap (hierna: “de vennootschap”) en haar in Duitsland wonende directeur en bestuurder (hierna: “X”). X was – in arbeidsrechtelijke zin – als directeur in dienst van de vennootschap en was daarnaast – in vennootschapsrechtelijke zin – bestuurder van de vennootschap.

In deze zaak verwijt de vennootschap X ernstige fouten te hebben gemaakt bij de uitoefening van zijn functie. Daaraan legt de vennootschap primair ten grondslag dat X zich heeft schuldig gemaakt aan onbehoorlijke taakvervulling van zijn taak als bestuurder (art. 2:9 BW) en beroept de vennootschap zich op opzet dan wel bewuste roekeloosheid van X bij de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst (art. 7:661 (oud) BW). Subsidiair legt de vennootschap onrechtmatige daad aan haar vordering ten grondslag (art. 6:162 BW). De vennootschap had X gedagvaard voor de rechtbank Almelo. X heeft zich beroepen op de onbevoegdheid van die rechtbank op grond van de EEX-Verordening.

De rechtbank oordeelt dat zij noch op grond van art. 5, aanhef en onder 1, noch op grond van art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Vo bevoegd is van de vorderingen van de vennootschap kennis te nemen. Het hof heeft het oordeel van de rechtbank bekrachtigd. Volgens het hof moet de rechtsverhouding tussen de vennootschap en X worden gekwalificeerd als arbeidsovereenkomst in de zin van art. 18 lid 1 EEX-Vo en is daarmee op grond van art. 20 lid 1 EEX-Vo uitsluitend de rechtbank van de lidstaat op het grondgebied waar de werknemer woont, bevoegd. Nu de werknemer in Duitsland woont, was de Nederlandse rechter onbevoegd, volgens het hof.

Cassatie en prejudiciële vragen Hof van Justitie EU

De vennootschap heeft daarop beroep in cassatie ingesteld. In cassatie klaagt zij onder meer dat het hof de bevoegdheidsbepalingen uit art. 5, aanhef en onder 1 EEX-Vo, art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Vo, art. 18 lid 1 EEX-Vo en art. 20 lid 1 EEX-Vo onjuist heeft uitgelegd en toegepast.

Naar aanleiding van deze klachten heeft de Hoge Raad op grond van art. 267 VWEU prejudiciële vragen aan het HvJEU gesteld. Voor deze zaak is vooral het antwoord op de eerste prejudiciële vraag van belang. Dit antwoord van het HvJEU stelt de Hoge Raad bij zijn oordeel voorop (rov. 3.4):

“Het antwoord op de eerste prejudiciële vraag luidt dat de art. 18-21 EEX-Vo eraan in de weg staan dat toepassing wordt gegeven aan de bevoegdheidsgronden van art. 5, aanhef en onder 1, respectievelijk art. 5, aanhef en onder 3, EEX-Vo, indien een vennootschap – in dit geval [eiseres 1] een persoon die de functies van directeur en bestuurder van die vennootschap heeft bekleed – in dit geval [verweerder] – in rechte aanspreekt om de door die persoon in de uitoefening van die functies gemaakte fouten te doen vaststellen en schadevergoeding te verkrijgen, indien die persoon – in dit geval [verweerder] – in zijn hoedanigheid van directeur en van bestuurder gedurende bepaalde tijd voor en onder gezag van die vennootschap – in dit geval [eiseres 1] – prestaties heeft verricht tegen beloning, hetgeen de nationale rechter dient te verifiëren.”

Vervolgens doet de Hoge Raad de zaak zelf af. Volgens de Hoge Raad behoeft de zaak niet te worden verwezen om vast te stellen of voldaan is aan het vereiste dat X in zijn hoedanigheid van directeur en van bestuurder gedurende bepaalde tijd en onder gezag van de vennootschap prestaties heeft verricht tegen beloning. De gedingstukken laten, volgens de Hoge Raad, geen andere conclusie toe dan dat is voldaan aan dit vereiste en dat tevens sprake was van een arbeidsovereenkomst.

De Hoge Raad verwerpt daarop het cassatieberoep. De vennootschap zal haar vorderingen dan ook op grond van art. 20 lid 1 EEX-Vo dienen te brengen voor de Duitse rechter; de Nederlandse rechter is onbevoegd.

 

Share This