HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1462

Als een verzoekschrift tot cassatie niet is ondertekend door een advocaat, kan dit gebrek binnen veertien dagen worden hersteld. Aan een mededeling van de griffie van de Hoge Raad met een langere hersteltermijn, kan geen vertrouwen worden ontleend.

Een cassatierekest moet zijn ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, zegt art. 426a Rv. Is dat niet gebeurd, dan is het beroep niet-ontvankelijk. Volgens vaste rechtspraak kan dit gebrek binnen 14 dagen worden hersteld. Dat staat niet in de wet, maar dat heeft de Hoge Raad aangenomen naar analogie van de regeling van art. 281 voor rekestzaken in eerste aanleg (zie HR 10 juli 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0773).

In deze zaak was een verzoekschrift ingediend op de laatste dag van de cassatietermijn, 7 juli 2015. De handtekening van een cassatieadvocaat ontbrak. De griffie liet op 10 juli 2015 aan de indiener weten dat een cassatieadvocaat nodig was en dat hij tot 24 juli 2015 kon laten weten of hij het beroep wilde doorzetten.

Op 23 juli 2015 diende alsnog een advocaat bij de Hoge Raad een cassatierekest in, maar dat rekest kwam niet overeen met het rekest van 7 juli 2015. Toen stuurde de griffie weer een brief dat dit gebrek binnen twee weken kon worden hersteld. De cassatieadvocaat diende uiteindelijk op 5 augustus 2015 alsnog het oorspronkelijke rekest in, maar nu met zijn handtekening.

Dat was dus binnen de door de griffie gestelde termijnen. Advocaat-Generaal Timmerman vond daarom ook dat het cassatieberoep ontvankelijk was.

Maar de Hoge Raad gaat daar niet in mee: de regel is dat het gebrek kan worden hersteld door hetzelfde cassatierekest nogmaals in te dienen, ditmaal getekend door een advocaat bij de Hoge Raad, en binnen veertien dagen. De brieven van de griffie klopten dus niet. En de advocaat bij de Hoge Raad had dat moeten weten:

“Aan het hiervoor in 3.2.2 overwogene doen de door de griffie van de Hoge Raad in de brieven van 10 en 24 juli 2015 gedane mededelingen niet af, omdat een advocaat bij de Hoge Raad geacht wordt op de hoogte te zijn van de volgens vaste rechtspraak geldende procedurele regels en van de verstrekkende gevolgen die verbonden zijn aan het niet-inachtnemen hiervan. Aan het hiervoor in 3.2.2 overwogene doet evenmin af dat mr. Van Lookeren Campagne op 5 augustus 2015 alsnog het – inmiddels door hem ondertekende – verzoekschrift van 7 juli 2015 heeft ingediend, nu het verzoekschrift van 5 augustus 2015 is ingediend na het verstrijken van de hiervoor in 3.2.1 vermelde termijn van twee weken.”

Eenzelfde lijn hanteert de Hoge Raad bijvoorbeeld bij het niet-tijdig betalen van griffierecht: ook dan mag een advocaat niet afgaan op een onjuiste mededeling van de griffie. In dat verband heeft de Hoge Raad nog weleens een beroep op de hardheidsclausule in de Wgbz gehonoreerd, ook omdat de nieuwe regeling van het griffierecht onder de Wgbz tot enige onduidelijkheid had geleid (zie CB 2011-84 en laatstelijk nog HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1512). De handtekening van een advocaat bij de Hoge Raad onder een cassatierekest is daarentegen gewoon een vereiste dat in de wet staat.

Bij het lezen van dit arrest drong zich bij mij nog een vraag op: had de advocaat bij de Hoge Raad het oorspronkelijke rekest nu zelf geschreven, of was het geschreven en ingediend door zijn cliënt zelf? Dat de advocaat eerst een afwijkend rekest indiende, lijkt op het laatste te wijzen. Maar een cassatieadvocaat mag zich niet lenen als “stempelmachine” voor een stuk dat door zijn cliënt is opgesteld. Dus misschien was dat hier dan toch niet het geval.

Share This