Selecteer een pagina

HR 13 juli 2012, LJN BW7476

Hoewel art. 13 lid 8 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering beroep in cassatie tegen beslissingen van het hof tot teruggeleiding van minderjarigen naar het land van hun gewone verblijfplaats uitsluit, is een zodanig beroep niettemin ontvankelijk indien geklaagd wordt dat de rechter in de bestreden uitspraak een bepaalde regeling ten onrechte niet heeft toegepast, buiten het toepassingsgebied van de desbetreffende regeling is getreden of bij het nemen van zijn beslissing een zodanig fundamenteel rechtsbeginsel heeft veronachtzaamd dat niet meer kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak.

De zaak betrof een verzoek om teruggeleiding van twee kinderen van Nederland naar Nigeria. De ouders hadden van 2001 tot 2009 in Nederland gewoond en waren daarna verhuisd naar Nigeria. In mei 2011 is de moeder met de beide kinderen naar Nederland teruggekeerd.

Nigeria is geen partij bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag. De Centrale Autoriteit had op de voet van art. 13 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering verzocht de onmiddellijke terugkeer van de kinderen naar Nigeria te bevelen. Art. 2 van deze wet bepaalt dat de wet ook van toepassing is in gevallen van internationale kinderontvoering die niet door een verdrag worden beheerst. Het derde lid van art. 13 houdt in dat de rechter in deze gevallen het verzoek kan afwijzen op de gronden vermeld in de artikelen 12 lid 2, 13 en 20 van het Haags verdrag. Uit de memorie van toelichting bij de wet blijkt dat de wetgever de rechter met deze bepaling voor de – zijns inziens – belangrijkste vraag, namelijk wanneer een verzoek om teruggeleiding kan worden afgewezen, een oriëntatiepunt heeft willen geven.

De rechtbank had het verzoek afgewezen, het gerechtshof heeft deze beschikking vernietigd en de teruggeleiding van de kinderen naar Nigeria gelast.

Met ingang van 1 januari 2012 is in internationale kinderontvoeringszaken geen gewoon cassatieberoep meer mogelijk. In deze zaak dateerde de eindbeslissing van het hof van 18 januari 2012. In beginsel stond dus geen cassatieberoep open. Niettemin acht de Hoge Raad, anders dan de advocaat-generaal, ook in deze zaken de gebruikelijke, hiervoor weergegeven mogelijkheden voor doorbreking van een rechtsmiddelenverbod van toepassing. Omdat het middel klachten van die strekking had aangevoerd, is het cassatieberoep ontvankelijk.

Het beroep leidt verder echter tot niets; de Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. Het hof heeft volgens de Hoge Raad kunnen toetsen aan de in art. 13 lid 3 van de Uitvoeringswet bedoelde afwijzingsgronden, zodat het door toewijzing van het verzoek niet buiten het toepassingsgebied van de regeling is getreden. De gestelde schending van art. 8 EVRM – wat daarvan zij – kan geen doorbrekingsgrond opleveren.

Share This