HR 9 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1066

(1) In het geval een hypothecaire lening valt binnen een bij huwelijkse voorwaarden gecreëerde beperkte huwelijksgoederengemeenschap, dan geldt dat beide echtgenoten daarvoor op grond van art. 1:100 lid 1 BW ieder voor de helft draagplichtig zijn, tenzij het in de uitzonderlijke omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de ene echtgenoot zich jegens de andere echtgenoot op de verdeling bij helfte beroept (o.a. HR 7 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0071, NJ 1991/593; HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749, NJ 2012/407); (2) Op grond van art. 44 lid 3 Rv staat het de verweerder in cassatie in beginsel vrij om, nadat de Advocaat-Generaal zijn conclusie heeft genomen, alsnog in het geding te verschijnen om op die conclusie te reageren.

Achtergrond van de zaak

De man en de vrouw in de hier te bespreken zaak zijn in 1992 onder huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Deze huwelijkse voorwaarden hielden kort gezegd in dat tussen hen een beperkte huwelijksgoederengemeenschap zou bestaan ten aanzien van hun echtelijke woning, onder de gehoudenheid om de hypothecaire schuld voor hun beider gemeenschappelijke rekening te nemen. Afgezien hiervan, zou tussen partijen geen gemeenschap van goederen bestaan. De huwelijkse voorwaarden bevatten tevens een periodiek verrekenbeding. Halverwege 2013 is het huwelijk tussen partijen door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand ontbonden.

In de onderhavige procedure heeft de vrouw (onder meer) verzocht over te gaan tot vaststelling van de verrekening overeenkomstig de huwelijkse voorwaarden en verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen. In hoger beroep besliste het hof (onder meer) dat één van de (in totaal drie) aan de voormalige echtelijke woning verbonden hypothecaire geldleningen ten bedrage van € 150.000,- en de in verband met die lening aan de bank verschuldigde rente en kosten, als eigen schuld voor rekening van de man moest komen, en dat hij de vrouw ter zake van die lening moest vrijwaren. Achtergrond hiervan was dat tussen de man en zijn (inmiddels overleden) broer in 2010 een geldleningsovereenkomst tot stand was gekomen, op grond waarvan de man een bedrag van € 150.000 aan zijn broer had geleend. Het bedrag dat hiervoor werd aangewend, was afkomstig uit de liquide middelen vrijgekomen uit voornoemde hypothecaire lening. Hoewel de man had gesteld dat de vrouw wist van de lening, dat zij daarvoor ook had meegetekend en het dus een gemeenschappelijke schuld betrof, meende het hof “dat in de verhouding tussen partijen, hoewel het een gezamenlijke lening betreft, de man draagplichtig dient te zijn voor de lening (…).”

Afwijking van de verdeling bij helfte?

De man kwam tegen dit oordeel van het hof in cassatie en stelde zich (onder meer) op het standpunt dat dit oordeel van het hof rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is. Volgens de man is het oordeel van het hof rechtens onjuist indien het zo moet worden gelezen dat het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat de hypothecaire lening tot de beperkte huwelijksgoederengemeenschap van partijen behoort. Daarvan uitgaande zijn partijen op grond van het bepaalde in art. 1:100 lid 1 BW in beginsel immers ieder voor de helft draagplichtig voor de lening, terwijl een uitzondering op deze regel slechts kan worden aangenomen in zeer uitzonderlijke omstandigheden die meebrengen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat de ene echtgenoot zich jegens de andere beroept op verdeling bij helfte van de ontbonden gemeenschap. Zou het hof dit niet hebben miskend, dan is zijn oordeel volgens de man onbegrijpelijk. De enkele omstandigheid dat de man de uit de hypothecaire lening vrijgekomen gelden heeft uitgeleend aan zijn broer en dat uitsluitend hij ter zake van die lening een vorderingsrecht heeft op (de erfgenamen van) de broer, brengt immers niet zonder meer mee dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat ieder voor de helft draagplichtig is voor de lening. De Hoge Raad acht deze klachten van de man gegrond en overweegt als volgt:

“3.3.3. Indien dit oordeel aldus moet worden verstaan dat daarin tot uitgangspunt is genomen dat de lening van € 150.000,– tot de beperkte gemeenschap als bedoeld in art. 1.1 van de akte huwelijkse voorwaarden behoort, heeft het hof miskend dat partijen, volgens art. 1.1 van de akte huwelijkse voorwaarden en art. 1:100 lid 1 BW, ieder voor de helft draagplichtig zijn, tenzij het in de uitzonderlijke omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de man zich jegens de vrouw op de verdeling bij helfte beroept (o.a. HR 7 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0071, NJ 1991/593; HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1749, NJ 2012/407). Indien het hof dat niet heeft miskend, heeft het zijn oordeel dat sprake is van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden ontoereikend gemotiveerd. Het hof heeft immers slechts bij zijn oordeel betrokken dat de man het bedrag aan zijn broer heeft (door)geleend en de vrouw ter zake geen vordering heeft. Het is niet kenbaar ingegaan op de stelling van de man dat de vrouw wist van de lening en heeft meegetekend.

 3.3.4. Indien het hof art. 1.1 van de huwelijkse voorwaarden aldus heeft uitgelegd dat de lening van € 150.000,– buiten de in voornoemde bepaling bedoelde beperkte gemeenschap valt, is die uitleg, mede in het licht van de tekst van art. 1.1 en de vaststelling dat partijen de lening gezamenlijk zijn aangegaan, zonder nadere motivering onbegrijpelijk.”

De Hoge Raad onderstreept dus nog maar eens dat voor een afwijking van de verdeling bij helfte van art. 1:100 lid 1 BW (al dan niet via huwelijkse voorwaarden van toepassing verklaard) op grond van redelijkheid en billijkheid de onaanvaardbaarheidsmaatstaf geldt en dat dit dus slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden aan de orde kan zijn. Verder gaat de Hoge Raad nog in op de klacht van de man over een in de beschikking van het hof geslopen rekenfout met betrekking tot de waarde van de kapitaalverzekering die in de verrekening dient te worden betrokken. Volgens de man had het hof daarbij niet moeten uitgaan van de afkoopwaarde van de polis per peildatum (4 februari 2012), maar van een afkoopwaarde per 1 juni 2012, aangezien partijen het over de afkoopwaarde per 1 juni 2012 eens waren. De Hoge Raad acht ook deze klacht van de man gegrond en oordeelt dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd van partijen is getreden door bij het bepalen van het in de verrekening te betrekken bedrag uit te gaan van afkoopwaarde per peildatum.

Mag verweerder in cassatie alsnog in geding verschijnen na de conclusie A-G?

Verder heeft deze zaak voor de Hoge Raad aanleiding gegeven een procestechnisch punt te verduidelijken. In deze door de man geëntameerde cassatieprocedure had de advocaat van de vrouw namelijk geen verweerschrift ingediend, maar wél bij brief met bijlage gereageerd op de conclusie van Advocaat-Generaal Keus, die strekte tot vernietiging en verwijzing. Namens de man is hiertegen bezwaar gemaakt en aangevoerd dat dit in strijd is met de eisen van een goede procesorde. Vervolgens was het aan de Hoge Raad hier uitsluitsel over te geven: mag een verweerder in cassatie nog in het geding verschijnen nadat de Advocaat-Generaal zijn conclusie heeft genomen om vervolgens op die conclusie te gaan reageren?

De Hoge Raad besliste dat het de vrouw op grond van het bepaalde in art. 44 lid 3 Rv op zichzelf vrij stond alsnog in het geding te verschijnen om op de conclusie van Advocaat-Generaal Keus te reageren. De Hoge Raad acht daartoe redengevend dat in een dagvaardingsprocedure uitgangspunt is dat de verweerder de bevoegdheid heeft om, zolang de einduitspraak nog niet is gewezen, alsnog in het geding te verschijnen (art. 418a jo. 142 Rv). Daardoor vervallen de gevolgen van het tegen hem verleende verstek, behalve ten aanzien van de daardoor veroorzaakte kosten. Onder verwijzing naar HR 19 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4709, NJ 2001/653 overweegt de Hoge Raad dat de eisen van een goede procesorde kunnen meebrengen dat van die bevoegdheid geen gebruik meer kan worden gemaakt. Bovendien is in een dagvaardingsprocedure uitgangspunt dat de eisen van een goede procesorde meebrengen dat de verweerder die het verstek zuivert nadat de conclusie van de Advocaat-Generaal is genomen, het geding dient te aanvaarden in de stand waarin het zich bevindt. Dit brengt naar het oordeel van de Hoge Raad mee dat, met inachtneming van het in art. 44 lid 3 Rv bepaalde, nog slechts schriftelijk op die conclusie kan worden gereageerd. Weliswaar kent de verzoekschriftprocedure, waarvan in casu sprake is, een eigen regeling voor de verschijning van partijen en belanghebbenden (art. 426a en 426b Rv), maar naar het oordeel van de Hoge Raad bestaat er geen grond het verschijnen in het geding nadat de conclusie van de Advocaat-Generaal is genomen, aan andere regels te onderwerpen dan in de dagvaardingsprocedure gelden.

In dit geval verzetten de eisen van een goede procesorde zich er op zichzelf niet tegen dat de vrouw alsnog in het geding verschijnt. Desondanks heeft de Hoge Raad de brief met bijlage, waarbij de advocaat van de vrouw op de conclusie van de Advocaat-Generaal heeft gereageerd, terzijde gelegd. De Hoge Raad overweegt daaromtrent als volgt:

“2.4.2. De ratio van de in art. 44 lid 3 Rv voorziene mogelijkheid voor partijen om hun schriftelijke commentaar op de conclusie van de Advocaat-Generaal aan de Hoge Raad te doen toekomen, is dat partijen gezien het beginsel van hoor en wederhoor op die conclusie moeten kunnen reageren, aangezien die conclusie in de oordeelsvorming van de Hoge Raad wordt betrokken. De reactie op de conclusie moet beknopt zijn. Nieuwe stellingen en producties zijn niet toelaatbaar. Een meer uitvoerige reactie is echter mogelijk ingeval de conclusie daartoe aanleiding geeft. In de reactie is geen plaats voor (voortzetting van het) debat door partijen, ook niet in die vorm dat een partij reageert op een reactie van de wederpartij op de conclusie. (Vgl. o.a. HR 13 juli 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3673, NJ 2001/513; HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:675, NJ 2015/305)”

Naar het oordeel van de Hoge Raad was de reactie op de conclusie in het onderhavige geval niet beperkt tot een beknopte reactie op de conclusie en werd de reactie ook niet gerechtvaardigd door nieuwe elementen in de conclusie. Bovendien was bij de reactie een productie toegevoegd. Volgens de Hoge Raad kwam de reactie erop neer dat de vrouw alsnog verweer voerde tegen het cassatiemiddel van de man en de door hem verdedigde uitleg van de bestreden beschikking van het hof. Naar het oordeel van de Hoge Raad is dat in strijd met de eisen van een goede procesorde en met het beginsel van hoor en wederhoor, aangezien de man daar in dit stadium van de procedure niet meer op kon reageren.

De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof en verwijst het geding naar een ander hof ter verdere behandeling en beslissing.

De man is in cassatie bijgestaan door Mirella Peletier en Marlies Witting, en in feitelijke instanties door Heleen Brokers-van Dijk.

Share This