HR 1 maart 2013, LJN BY6755 (Greenib Car B.V./X)

In het licht van het partijdebat over het al dan niet bestaan van een schadebeperkingsplicht en het beginsel van hoor en wederhoor, moest het hof zich onthouden van een oordeel over de schadebeperkingsplicht. Dit punt kan in de schadestaatprocedure aan de orde komen.

Schadevergoeding op te maken bij staat

Als de rechter een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt begroot de rechter in beginsel de schade voor zover hem dit mogelijk is. Dit doet hij ook als slechts schadevergoeding op te maken bij staat is gevorderd, maar voldoende is gesteld en is komen vast te staan om te kunnen veroordelen tot een bepaald bedrag. Pas als deze begroting niet mogelijk is spreekt hij een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat uit. De keuze daartoe maakt de rechter desnoods ambtshalve. Uit een en ander volgt dat de rechter, voor zover hem dat mogelijk is in het licht van het debat van partijen en met in achtneming van het contradictoire beginsel (hoor en wederhoor), de geschilpunten die partijen verdeeld houden dadelijk kan beslissen, ook als dat geschilpunten zijn die op zichzelf genomen in de schadestaatprocedure nog (verder) aan de orde kunnen worden gesteld, zoals vragen van causaal verband (vgl. HR 16 april 2010, LJN BL2229, NJ 2010, 229, rov. 3.54, en HR 2 februari 2012, LJN BU4914, NJ 2012, 95, rov. 3.11.2).

Oordeel over omvang schade door hof?

In deze zaak is in feitelijke instanties – in de kern genomen – aan de orde of de onderhandelingen omtrent een Hyundai dealerschap in een zodanig ver stadium waren gekomen dat X (een Rover-dealer en eigenaar van een garagebedrijf) er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat de dealerovereenkomst met Greenib (de Nederlandse importeur en distributeur van auto’s van het merk Hyundai) tot stand zou komen.

Het hof heeft – anders dan de rechtbank – geoordeeld dat deze onderhandelingen niet zomaar konden worden afgebroken.

De omvang van de schade veroorzaakt door het afbreken van de onderhandelingen komt – zo heeft het hof vastgesteld – in de procedure in hoger beroep verder niet aan de orde, nu slechts een verklaring voor recht is gevorderd. In rov. 13 lijkt het hof zich evenwel toch uit te laten over de omvang van de schade door te oordelen dat het beroep van Greenib op de schadebeperkingsplicht (in die zin dat X het dealerschap van een ander automerk had kunnen verkrijgen), onvoldoende onderbouwd is. Greenib heeft volgens het hof in het geheel niet geadstrueerd dat het voor X feitelijk mogelijk was geweest andere automerken dan Hyundai ‘binnen te halen’ (rov. 13).

Cassatie

Tegen – onder meer – rov. 13 is een cassatieklacht gericht, inhoudende dat het hof het debat over de schadebeperkingsplicht (en daarmee over de omvang van de schade) had moeten verwijzen naar de schadestaatprocedure. Deze klacht slaagt. De Hoge Raad heeft overwogen dat het hof zich in het licht van het partijdebat omtrent het al dan niet bestaan van een schadebeperkingsplicht en het beginsel van hoor- en wederhoor (verwezen wordt naar HR 16 april 2010, LJN BL2229, NJ 2010, 229, rov. 3.54, en HR 2 februari 2012, LJN BU4914, NJ 2012, 95, rov. 3.11.2), had dienen te onthouden van een oordeel over de schadebeperkingsplicht:

“3.6.2 (…) [Verweerster] heeft een verklaring voor recht gevorderd dat Greenib jegens haar schadeplichtig is (zie hiervoor in 3.2). Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft Greenib niet alleen haar aansprakelijkheid ontkend, maar zich voorts onder meer beroepen op een op [verweerster] rustende schadebeperkingsplicht. Hierop heeft [verweerster] gereageerd met het betoog dat zij, gelet op de door haar gevorderde verklaring voor recht, haar schade niet nader behoefde te onderbouwen, en dat een en ander in een schadestaatprocedure aan de orde kan komen. In het licht van dit partijdebat en het beginsel van hoor en wederhoor (vgl. HR 16 april 2010, LJN BL2229, NJ 2010/229, rov. 3.54, en HR 2 februari 2012, LJN BU4914, NJ 2012/95, rov. 3.11.2) had het hof, dat in zijn eindarrest de gevorderde verklaring voor recht heeft gegeven, zich dienen te onthouden van een oordeel omtrent de op [verweerster] rustende schadebeperkingsplicht. Greenib mocht redelijkerwijs verwachten dat de vragen of [verweerster] een op haar rustende schadebeperkingsplicht heeft geschonden en welke invloed dit eventueel heeft op de toewijsbaarheid van de door haar gevorderde schadevergoeding, in een schadestaatprocedure aan de orde zouden komen. De Hoge Raad kan in zoverre zelf de zaak afdoen door te beslissen als hierna vermeld.”

De Hoge Raad heeft vervolgens het bestreden arrest vernietigd, maar uitsluitend voor zover het beroep van Greenib op de schadebeperkingsplicht is verworpen. Deze kwestie zal in de schadestaatprocedure alsnog aan de orde kunnen komen.

X is in cassatie bijgestaan door Martijn Scheltema en de auteur, en in feitelijke instanties door mr. P.A.J.M. Lodestijn.

Share This