HR 5 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:177
De rechter die vaststelt dat niet alle partijen bij de te vernietigen rechtshandeling in het geding zijn betrokken, moet gelegenheid geven om de niet opgeroepen partij alsnog in het geding te doen oproepen.
Achtergrond
Art. 3:51 lid 2 BW bepaalt dat een rechtsvordering tot vernietiging van een rechtshandeling wordt ingesteld tegen hen die partij bij de rechtshandeling zijn.
In deze procedure heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de rechtsvordering van Vitens tot (gedeeltelijke) vernietiging van de koopovereenkomst toewijsbaar geacht, hoewel een van de partijen bij de koopovereenkomst (B.I.C.) niet in de procedure was betrokken. Noch in eerste aanleg, noch in appel is de noodzaak van betrokkenheid van B.I.C. aan de orde gesteld, niet door partijen en ook niet door de rechter.
Oordeel Hoge Raad
De Hoge Raad stelt voorop dat de rechter die – naar aanleiding van een daarop gericht verweer dan wel ambtshalve – vaststelt dat niet alle partijen bij de te vernietigen rechtshandeling in het geding zijn betrokken, gelegenheid moet geven om de niet opgeroepen partij alsnog in het geding te betrekken door oproeping op de voet van art. 118 Rv binnen een daartoe door de rechter te stellen termijn. Dit geldt zowel in eerste aanleg als na aanwending van een rechtsmiddel (r.o. 3.2.1). Op dit geval zijn dus van toepassing de regels die gelden voor processueel ondeelbare rechtsverhoudingen (zie daarover het arrest van 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:411, besproken in CB 2017-92).
Tegen deze achtergrond oordeelt de Hoge Raad dat het hof de rechtsvordering niet had mogen behandelen en daarover niet had mogen oordelen zonder B.I.C. als partij in het geding te doen oproepen. Hij vernietigt daarom het arrest. Na verwijzing zal aan Vitens – als de partij die de rechtsvordering tot vernietiging van de koopovereenkomst heeft ingesteld – alsnog de gelegenheid moeten worden geboden om B.I.C. in het geding te doen oproepen (r.o. 3.2.3).