Selecteer een pagina

HR 11 januari 2013  LJN BX8359 en BX8360

De bestuursrechtelijke rechtspraak in geval van overschrijding van de redelijke termijn in procedures waarop art. 6 EVRM niet van toepassing is, zoekt aansluiting bij de rechtspraak van het EHRM over de uitleg van art. 6 EVRM. Een overeenkomstige toepassing van art. 6 EVRM gaat niet zo ver dat deze ook het geval omvat waarin alleen wordt geklaagd over de duur van de bezwaarprocedure zonder dat daarop een behandeling door een rechter is gevolgd; zij omvat evenmin het geval waarin alleen wordt geklaagd over de duur van de aanvraagfase, ook niet indien daarop een behandeling door de rechter is gevolgd.

Aan beide arresten van de Hoge Raad liggen vreemdelingenrechtelijke procedures ten grondslag. In beide zaken was geklaagd over de lange duur van de bezwaarfase, in de zaak met LJN-nummer BX8360 eveneens over de duur van de aanvraagfase, en was verzocht om schadevergoeding. De relevante overwegingen van de Hoge Raad in beide zaken zijn grotendeels gelijkluidend.

Evenmin als op het belastingrecht is art. 6 EVRM van toepassing op het vreemdelingenrecht. Zoals de Hoge Raad overweegt, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State echter geoordeeld dat de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel, dat aan art. 6 EVRM mede ten grondslag ligt, evenzeer geldt binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van die verdragsbepaling. Dat beginsel noopt er volgens de Afdeling toe dat verzoeken betreffende binnenkomst, verblijf en uitzetting van vreemdelingen en daaruit voortvloeiende geschillen binnen een redelijke termijn, in voorkomend geval na behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, tot finale vaststelling leiden. De Afdeling heeft aansluiting gezocht bij de rechtspraak van het EHRM over de uitleg van art. 6 EVRM, nu die op dat rechtsbeginsel berust. Uit die jurisprudentie volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld. Het hof Den Haag had zich in beide zaken bij deze rechtspraak aangesloten. Dit oordeel van het hof is volgens de Hoge Raad in cassatie terecht niet bestreden.

De Hoge Raad wijst erop dat art. 6 EVRM ziet op het recht op behandeling van een zaak binnen een redelijke termijn “door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht”. De Hoge Raad overweegt vervolgens dat weliswaar rekening dient te worden gehouden met de duur van de behandeling van het bezwaar indien een rechterlijke procedure is gevolgd, maar dat een overeenkomstige toepassing van art. 6 EVRM niet zo ver gaat dat deze ook het geval omvat waarin alleen wordt geklaagd over de duur van de bezwaarprocedure zonder dat daarop een behandeling door de rechter is gevolgd.

De Hoge Raad merkt daarbij op dat een te lange behandelingsduur in de bezwaarfase niet tot gevolg heeft dat de toegang tot de rechter voor de belanghebbende wordt vertraagd of geblokkeerd. Hij kan zich immers tot de bestuursrechter wenden indien het gevraagde besluit niet tijdig wordt genomen (art. 6:2, aanhef en onder b, Awb).

De Hoge Raad merkt verder op dat dit niet betekent dat een onaanvaardbaar lange duur van enkel de bezwaarfase – te onderscheiden van overschrijding van de wettelijke beslistermijn, aan de orde in HR 22 oktober 2010, LJN BM7040 – nimmer kan leiden tot aanspraak van de belanghebbende op schadevergoeding. De oordelen van de Hoge Raad in deze beide zaken betekenen slechts dat de aan art. 6 EVRM ontleende veronderstelling van immateriële schade wegens spanning en frustratie niet geldt, hetgeen meebrengt dat de belanghebbende zal moeten stellen en zo nodig bewijzen dat hij door de onaanvaardbaar lange duur van de behandeling door het bestuursorgaan van zijn bezwaar daadwerkelijk zodanige schade heeft geleden.

In de zaak met LJN-nummer BX8360 overweegt de Hoge Raad verder dat ook voor een beroep op art. 6 EVRM in verband met overschrijding van de redelijke termijn voor de beslissing op een aanvraag om een verblijfsvergunning heeft te gelden dat de eerder bedoelde,  bij art. 6 EVRM aansluitende rechtspraak wordt begrensd door het toepassingsgebied van dat artikel. De in dat artikel bedoelde behandeling van een zaak veronderstelt een geschil en omvat derhalve niet tevens de aanvraagfase, ook niet indien daarop een behandeling door een rechter is gevolgd (rov. 3.4.4). De zojuist al genoemde overwegingen over toegang tot de rechter en de bewijslast, gelden ook voor de aanvraagfase.

Na de bestuursrechter (diverse bestuursrechtelijke colleges en de belastingkamer van de Hoge Raad) heeft nu ook de civiele kamer van de Hoge Raad zich uitgelaten over gevolgen van overschrijding van de (redelijke) beslistermijn in bestuursrechtelijke procedures waarop art. 6 EVRM niet van toepassing is. De civiele kamer van de Hoge Raad sluit zich aan bij de bestuursrechtelijke rechtspraak op dit gebied, ook wat betreft de begrenzing. Dat is niet verrassend, maar is met deze arresten wel duidelijk.

De Staat is in beide procedures  bijgestaan door Martijn Scheltema en de auteur.

Share This