HR 27 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA3740 (X/IDM Finance B.V.)

Als een rechtsvordering is gestuit vóór 1 januari 1992 door een naar oud recht geldende stuitingshandeling, dan brengt het overgangsrecht mee dat na die datum de lengte van de nieuwe termijn die aanvangt als gevolg van die stuiting, door het huidige BW wordt bepaald.

Feiten

Eiseres is bij vonnis van 27 juni 1990 veroordeeld tot betaling van een geldbedrag aan IDM. Dit vonnis is op 5 april 1991 aan eiseres betekend. Op 12 juli 2010 heeft IDM uit hoofde van het vonnis executoriaal derdenbeslag gelegd onder het UWV. Dit beslag is op 19 juli 2010 aan eiseres betekend bij openbaar exploot. Op 27 januari is op verzoek van IDM een hernieuwd bevel aan eiseres gedaan om alsnog onmiddellijk te voldoen aan de inhoud van het vonnis. Op 9 maart 2011 heeft IDM ten laste van eiseres executoriaal derdenbeslag gelegd onder het UWV. Dit beslag is op 16 maart 2011 aan eiseres in persoon betekend.

Eiseres vordert in dit geding opheffing van het gelegde derdenbeslag. Zij stelt zich op het standpunt dat de vordering van IDM tot tenuitvoerlegging van het vonnis is verjaard. Zij verwijst daartoe naar art. 3:324 lid 1 BW dat bepaalt dat de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak verjaart na twintig jaar, in dit geval dus op 27 juni 2010. De diverse betekeningen van het vonnis (onder meer in 1991 en 1996) hebben volgens eiseres weliswaar stuitende werking, maar op grond van art. 3:319 lid 2 BW ging daardoor een nieuwe verjaringstermijn lopen van slechts vijf jaar. Art. 3:319 lid 2 BW – dat ingevolge art. 3:325 BW van overeenkomstige toepassing is op de verjaring van art. 3:324 BW – bepaalt dat de verjaring in geen geval op een eerder tijdstip intreedt dan waarop ook de oorspronkelijke verjaringstermijn (van in dit geval twintig jaar) zonder stuiting zou zijn verstreken. Op grond van art. 3:319 lid 2 BW bleef 27 juni 2010 daarom het einde van de verjaringstermijn. Eiseres stelt dat de betekeningen van het vonnis op 19 juli 2010 en 16 maart 2011 te laat waren, omdat deze dateren van na 27 juni 2010.

Centrale vraag

Op 1 januari 1992 trad het nieuwe BW in werking. Onder het vóór 1 januari 1992 geldende recht bestond geen bepaling als het huidige art. 3:324 lid 1 BW. Evenmin bestond er een regeling vergelijkbaar met het huidige art. 3:319 lid 2 BW. Naar oud recht gold de regel dat na stuiting van de verjaring een nieuwe termijn begon te lopen gelijk aan de oorspronkelijke verjaringstermijn. In deze zaak staat de vraag centraal of (gelet op het overgangsrecht) art. 3:319 lid 2 BW ook van toepassing is op een geval als het onderhavige, waarin de (oorspronkelijke) verjaringstermijn vóór de inwerkingtreding van deze wetsbepaling een aanvang heeft genomen en ook vóór die datum een naar oud recht geldige stuitingshandeling – de betekening van het vonnis op 5 april 1991 – heeft plaatsgevonden.

Procesverloop

Het hof heeft deze vraag, net als de rechtbank, ontkennend beantwoord. Het hof oordeelde dat art. 120 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (hierna: Overgangswet NBW) zo moet worden gelezen dat de stuiting van een verjaringstermijn die is aangevangen vóór de inwerkingtreding van het BW, in haar geheel – dat wil zeggen voor wat betreft de oorzaken en de rechtsgevolgen – door het oude recht wordt beheerst als de stuitingshandeling vóór 1 januari 1992 heeft plaatsgevonden. Het door eiseres ingeroepen art. 3:319 lid 2 BW is daarop dus niet van toepassing.

In cassatie wordt dit oordeel bestreden. Eiseres betoogt dat art. 120 Overgangswet NBW slechts ziet op exclusieve werking van het oude recht ter zake van de oorzaken van stuiting en niet ook op de na stuiting toepasselijke verjaringstermijnen.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad acht deze klacht gegrond (zie r.o. 3.5).

“Art. 120 Overgangswet NBW houdt slechts in dat over het tijdvak vóór het in werking treden van het huidige BW, de verjaring waarop dat BW van toepassing is, wordt geacht te zijn gestuit door een oorzaak die naar het oude recht stuitende werking had. Dit artikel heeft, anders dan het hof heeft geoordeeld, geen betrekking op de andere gevolgen van die stuiting. De onmiddellijke werking van het huidige BW (art. 68a Overgangswet NBW) brengt mee dat de lengte van de nieuwe termijn die aanvangt als gevolg van de stuiting door de naar oud recht geldende oorzaak, door het huidige BW wordt bepaald, met ingang van de inwerkingtreding daarvan. Deze onmiddellijke werking is door art. 73 lid 1 Overgangswet NBW uitgesteld tot 1 januari 1993.”

Anders dan het hof heeft geoordeeld, is art. 3:319 lid 2 BW, dat de nieuwe termijn na een stuiting in beginsel op een termijn van vijf jaar bepaalt, dus wel van toepassing op de stuiting van de verjaring door de betekening van het vonnis op 5 april 1991. Dit volgt naar het oordeel van de Hoge Raad ook uit de toelichting op art. 120 Overgangswet NBW die is aangehaald in de conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal onder 11, en uit art. 123 Overgangswet NBW, dat bepaalt dat vanaf 1 januari 1993 de art. 3:324 en 3:325 BW van toepassing zijn op rechterlijke uitspraken die vóór de inwerkingtreding van de wet zijn gewezen, in verbinding met art. 3:325 lid 1 BW, dat onder meer art. 3:319 BW van overeenkomstige toepassing verklaart op de verjaring van de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak (zie r.o. 3.5).

Naar het oordeel van de Hoge Raad volgt uit het vorenstaande dat het hof niet tot de slotsom heeft kunnen komen dat de nieuwe verjaringstermijn, die aanving door de stuiting op 5 april 1991, liep tot 6 april 2011. Op grond van art. 3:319 lid 2 was die termijn vijf jaar en verstreek deze daarom in beginsel al op 5 april 1996. De oorspronkelijke verjaringstermijn van twintig jaar (art. 3:324 lid 1 BW) verstreek op 27 juni 2010. Op grond van eveneens art. 3:319 lid 2 BW – dat, zoals gezegd, bepaalt dat na een stuiting de verjaring in geen geval eerder intreedt dan op het tijdstip waarop de oorspronkelijke termijn zonder stuiting zou zijn verstreken – had IDM tot laatstgenoemde datum de gelegenheid om een nieuwe stuiting uit te brengen. Zoals eiseres terecht heeft aangevoerd, waren de betekeningen van het vonnis op 19 juli 2010 en 16 maart 2011 dus te laat (r.o. 3.6).

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar een ander hof.

Share This