Hoge Raad 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087

1. De aanhangigheid van het kort geding komt in beginsel te vervallen door een mededeling van de eiser aan de gedaagde, strekkende tot intrekking van het kort geding, tenzij gedaagde tijdig aan de eiser en de voorzieningenrechter mededeelt dat het geding desondanks doorgang dient te vinden omdat hij een beslissing omtrent de proceskosten verlangt. 2. Art. 1019h Rv is ook in (ingetrokken) kort gedingen in IE-zaken van toepassing. De kosten die gemaakt worden ter vaststelling van de proceskosten van het ingetrokken geding vallen echter niet onder het bereik van dit artikel. 3. Art. 9.1 van het Procesreglement kort gedingen is onverbindend. De Hoge Raad stelt een overgangsmaatregel in voor de periode van drie maanden na datum arrest.

Eiser sommeerde gedaagde in kort geding tot het staken van merkgebruik en als nevenvordering rectificatie van merkgebruik en misleidende mededelingen. Na intrekking van het kort geding werd een bodemprocedure met nagenoeg dezelfde vorderingen ingesteld. Vervolgens verzocht de gedaagde om een proceskostenveroordeling op grond van artikelen 249 jo. 250 jo. 1019h Rv. Dit leidde tot de vraag: bestaat er een grondslag voor een veroordeling van eiser in de kosten die gedaagde heeft gemaakt in verband met (de voorbereiding) van het kort geding? Hoewel partijen een minnelijke regeling van hun geschil hadden getroffen, besloot de voorzieningenrechter hierover de volgende prejudiciële vragen te stellen aan de Hoge Raad.

1. Zijn de art. 125127 Rv (aanhangigheid geding) respectievelijk 249250 Rv (afstand van instantie) van toepassing in kort geding?

2. Hoe verhouden die bepalingen zich in dat geval tot elkaar?

3. Hoe moet in kort geding art. 249 lid 2 Rv worden toegepast?

4. Maakt het verschil of het gaat om art. 1019h Rv?

5. Is griffierecht verschuldigd?

6. Gelding van art. 9 Procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie (hierna: Procesreglement); is overgangsrecht nodig?

De Hoge Raad beantwoordt deze vragen als volgt.

Vraag 1, 2 en 3: Intrekking van een kort geding; vergoeding van de proceskosten

Allereerst duidt de Hoge Raad het eigen karakter van het kort geding (rechtsoverwegingen 3.3.2 t/m 3.3.6). Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat op grond daarvan de artikelen 125-127 Rv en 249-250 Rv niet rechtstreeks van toepassing zijn op het kort geding in eerste aanleg (wel in hoger beroep), omdat deze te zeer zijn toegesneden op de bodemprocedure. Vervolgens formuleert de Hoge Raad eigen regels voor het kort geding in eerste aanleg, die wel zijn geënt op de artikelen 125-127 en 249-250 Rv:

“3.4.2 De aanhangigheid van het kort geding komt in beginsel te vervallen door een mededeling van de eiser aan de gedaagde, strekkende tot intrekking van het kort geding.

3.4.3  In verband met de aard van het kort geding – meer in het bijzonder de op een spoedige afdoening daarvan gerichte procesvoering – en met het belang van de eiser om binnen redelijke termijn zekerheid te verkrijgen over de processuele opstelling van de gedaagde, brengen de eisen van een goede procesorde, mede gelet op HR 18 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1274, NJ 1994/606 (Zoontjens/Kijlstra), het volgende mee. Indien de eiser het kort geding intrekt komt de aanhangigheid daarvan, in afwijking van hetgeen hiervoor in 3.4.2 is overwogen, niet te vervallen indien de gedaagde tijdig aan de eiser en de voorzieningenrechter mededeelt dat het geding desondanks doorgang dient te vinden omdat hij een beslissing van de voorzieningenrechter omtrent de proceskosten verlangt. Indien de gedaagde niet al voor de aangezegde datum een mededeling als zojuist bedoeld tot de eiser en de voorzieningenrechter richt, staat hem daartoe nog een termijn ten dienste van veertien dagen na de datum waartegen hij was opgeroepen. Hij dient dus, indien de behandeling niet al op de aangezegde dag plaatsvindt, binnen deze termijn het bureau van de voorzieningenrechter om een (nieuwe) datum te verzoeken waarop zijn hiervoor bedoelde vordering (met inachtneming van hetgeen hierna in 3.5.2 zal worden overwogen) wordt behandeld. Hij behoort voorts tijdig mededeling aan de eiser te doen van de door de voorzieningenrechter bepaalde datum.

3.5.1 Indien de gedaagde een vergoeding van zijn proceskosten van de eiser verlangt, en de eiser betwist dat de gedaagde voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten heeft gemaakt of de hoogte daarvan bestrijdt, ligt het op de weg van de gedaagde om de kosten waarvan hij vergoeding vordert, te specificeren en aannemelijk te maken. Deze vordering is – afgezien van het bepaalde in art. 1019h Rv – niet toewijsbaar buiten de in art. 241 Rv getrokken grenzen. In dit verband verdient nog opmerking dat het liquidatietarief een regeling bevat voor het geval de eiser het geding intrekt voordat de gedaagde een proceshandeling (kan) verricht(en), welke regeling zich mede leent voor toepassing in kort geding.

3.5.2 Het is aan het beleid van de voorzieningenrechter overgelaten of hij het noodzakelijk acht dat dit geschil over de proceskosten ter terechtzitting wordt behandeld. Als hem dit geraden voorkomt kan hij bepalen dat partijen, op daartoe door hem bepaalde termijnen, hun standpunten schriftelijk naar voren brengen. Als hij daartoe aanleiding ziet, of als een procespartij daartoe een gemotiveerd verzoek doet, kan hij daarna alsnog een mondelinge behandeling bepalen.

3.5.3 Indien de gedaagde, na het aanhangig maken van de zaak, erin toestemt te voldoen aan hetgeen wordt gevorderd, maar partijen geen overeenstemming bereiken over de proceskosten, kan de eiser een beslissing omtrent de proceskosten verkrijgen door ter terechtzitting te verschijnen en zijn vorderingen te verminderen door intrekking van de hoofdvordering, zodat alleen de vordering tot veroordeling van de gedaagde in de proceskosten ter beoordeling overblijft.”

Daaraan voegt de Hoge Raad nog toe dat het vonnis van de voorzieningenrechter over de proceskosten vatbaar is voor hoger beroep en uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard.

Vraag 4: de toepasselijkheid van artikel 1019h Rv

Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat artikel 1019h Rv in beginsel van toepassing is. Hoewel de eiser, die het geding heeft ingetrokken, strikt genomen niet de “in het ongelijk gestelde partij is”, moet dit geval voor de toepassing van deze bepaling daarmee op één lijn moet worden gesteld. Doet de situatie zoals in rechtsoverweging 3.5.3 zich voor, dan kan de gedaagde als de in het ongelijk gestelde partij worden aangemerkt. De kosten die worden gemaakt om de kosten van het ingetrokken kort geding te doen vaststellen, vallen echter niet onder het bereik van 1019h Rv en dienen dus te worden begroot met toepassing van het liquidatietarief.

Vraag 5: griffierecht

Ten aanzien van de griffierecht verwijst de Hoge Raad naar art. 3 lid 1 Wgbz: de eisende partij is griffierecht verschuldigd als het kort geding niet is ingetrokken voor uitroeping van de terechtzitting (art. 254 lid 3 Rv); de gedaagde partij als zij na die uitoreping ter terechtzitting in kort geding is verschenen. Griffierecht is verder (door beiden) verschuldigd als op het geschil over de proceskosten wordt beslist.

Vraag 6: de gelding van art. 9 Procesreglement; overgangsrecht

Artikel 9.1 van het Procesreglement bevat de volgende bepaling:

9. INTREKKING

9.1 Intrekking procedure

De eisende partij kan de procedure intrekken tot het moment dat de zaak is uitgeroepen.

In dat geval spreekt de voorzieningenrechter geen proceskostenveroordeling uit.

Volgens de Hoge Raad is de tweede zin van art. 9.1 Procesreglement onverbindend. Na het verstrijken van het termijn van veertien dagen, waarbinnen de gedaagde een proceskostenveroordeling kan vorderen, kunnen de kosten evenmin in een afzonderlijke procedure worden gevorderd. De Hoge Raad ziet echter aanleiding om een overgangsregel te geven. Binnen een termijn van drie maanden na datum van het arrest kunnen de vorderingen alsnog in afzonderlijke procedures worden ingesteld.

 

Share This