Selecteer een pagina

HR 23 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:640

Privé-opnames die een vennoot doet ten laste van zijn v.o.f. kunnen vallen onder een eerder gelegd derdenbeslag in de zin van art. 475 Rv

Achtergrond

De aanleiding voor deze zaak is vervelend. In 2002 is [betrokkene 1] om het leven gekomen door een misdrijf, gepleegd door [betrokkene 2], een broer van [eiser]. [Verweersters] zijn de weduwe en dochters van [betrokkene 1]. Op vordering van [verweersters] is [betrokkene 2] in 2009 veroordeeld tot betaling van € 857.217,27 aan hen.

[Eiser] en [betrokkene 2] waren tot eind november 2008 vennoten in een vennootschap onder firma (hierna: de v.o.f.). Art. 9 van de v.o.f.-overeenkomst bepaalde:

“Ieder der vennoten zal periodiek voor privégebruik een in onderling overleg te bepalen bedrag uit de kas der vennootschap mogen opnemen.”

[Verweersters] hebben in 2004 ter verzekering van hun vordering onder andere conservatoir derdenbeslag gelegd onder de v.o.f. In het kader van dit derdenbeslag heeft [eiser] namens de v.o.f. verklaard niets aan [betrokkene 2] – het zij herhaald: de broer en medevennoot van [eiser] – verschuldigd te zijn of uit een bestaande rechtsverhouding verschuldigd te worden.
Desondanks heeft de v.o.f. € 83.303 in de periode 2004-2008 aan [betrokkene 2] betaald uit hoofde van privé-opnames.

Deze zaak was al eerder aan de orde in ECLI:NL:HR:2017:1009, besproken in CB 2017-110. Na de cassatie en verwijzing lag bij het verwijzingshof de vraag voor: moet [eiser] worden veroordeeld tot betaling van € 83.303 aan [verweersters], aangezien de v.o.f. tot dit totaalbedrag betalingen aan de vennoten heeft gedaan, ondanks het derdenbeslag van [verweersters] en de eerdere derdenverklaring?

Het hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord en [eiser] ging hiervan in cassatie. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bekrachtigt het oordeel van het hof.

Geen hogere voorziening tegen afwijzing eisvermeerdering

De Hoge Raad maakt eerst korte metten met een procesrechtelijk punt. [Eiser] had namelijk zijn eis vermeerderd in de procedure bij het hof na cassatie en verwijzing, door middel van een bijkomende vordering over de onrechtmatigheid van een in 2014 door [verweersters] gelegd beslag. Het hof had deze eisvermeerdering afgewezen, omdat zo’n eisvermeerdering in “dit stadium van de procedure – na cassatie en verwijzing” niet meer kon, althans “dat daartoe in dit geval wel een mogelijkheid bestaat heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd, reden waarom het hof aan deze eisvermeerdering voorbij gaat.” [Eiser] klaagde hiertegen. De Hoge Raad verwerpt de klacht en overweegt dat in het oordeel van het hof “ligt besloten dat de eisvermeerdering van [eiser] afstuit op de eisen van een goede procesorde. Tegen de beslissing dat een verandering of vermeerdering van eis in strijd is met de eisen van een goede procesorde en daarom buiten beschouwing moet blijven – welke beslissing ook ambtshalve kan worden gegeven – staat geen hogere voorziening open (art. 130 lid 2 Rv).”

Privé-opnames van vennoot vallen onder derdenbeslag

Verder klaagde [eiser] in cassatie dat het hof had miskend dat – eenvoudig en kort samengevat – de voorschotbetalingen van de v.o.f. aan de medevennoot van [eiser] (dus aan [betrokkene 2]) niet konden vallen onder het derdenbeslag, omdat die betalingen pas werden verricht nadat [betrokkene 2] zijn wilsrecht tot de privé-opnames had uitgeoefend. Dat was relevant, aldus [eiser], omdat de Hoge Raad in het Kredietruimtearrest van 29 oktober 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AP4504) afwijst dat beslag mogelijk is op betalingsopdrachten die door uitoefening van het wilsrecht na de beslaglegging zijn gegeven.

In het arrest waartegen [eiser] opkwam in cassatie, had het hof overwogen dat deze zaak moest worden onderscheiden van het Kredietruimtearrest, omdat de privé-opnames van de vennoot in dit geval voortvloeiden uit een rechtsverhouding die ten tijde van het beslag al wel degelijk bestond. In de loop van deze rechtsverhouding gedane privé-opnames vallen onder het beslag, zo had het hof geoordeeld. Deze situatie is van een andere aard van in het Kredietruimtearrest. Daarin ging het om een bank-cliënt relatie, waarbij een verbintenis tot uitbetaling van een bedrag uit de kredietruimte pas ontstond wanneer die cliënt van zijn bevoegdheid tot afroep gebruik maakte. De onderhavige situatie is daarentegen meer vergelijkbaar met toekomstige loonbetalingen die een werkgever doet aan een werknemer, welke betalingen in een derdenbeslag onder de werkgever zijn begrepen.

De Hoge Raad verwerpt de klacht van [eiser] en bekrachtigt het oordeel van het hof, voornamelijk omdat dit oordeel rust op een aan het hof voorbehouden (feitelijke) uitleg van de v.o.f.-overeenkomst:

3.2.2 Een schuldeiser kan zijn vordering op alle goederen van zijn schuldenaar verhalen, tenzij de wet of een overeenkomst anders bepaalt (art. 3:276 BW). Op grond van art. 475 Rv kan tot dat verhaal mede beslag worden gelegd op vorderingen die de schuldenaar op derden mocht hebben of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen. (…)

3.2.3 (…) [Het oordeel van het hof] berust op de uitleg door het hof van de v.o.f.-overeenkomst (zie hiervoor in 2.1 onder (iv)), welke uitleg feitelijk en niet onbegrijpelijk is. Dat oordeel geeft ook geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Anders dan het onderdeel betoogt, is niet uitgesloten dat een vordering rechtstreeks voortvloeit uit een bestaande rechtsverhouding in de zin van art. 475 Rv indien de vordering pas ontstaat door de uitoefening van een daartoe strekkend wilsrecht. (…)

3.2.4 (…) Ook dit oordeel berust op de uitleg van de v.o.f.-overeenkomst. Het hof heeft terecht de door hem genoemde aard van de voorschotbetalingen bij zijn oordeel betrokken. Voor het overige berust zijn oordeel op de omstandigheden van het geval. De uitleg van de v.o.f.-overeenkomst en de vaststelling en waardering van de omstandigheden van het geval zijn niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. In het licht van die uitleg en waardering geeft het oordeel van het hof dat de betaalde voorschotten onder het derdenbeslag zijn begrepen geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.”

Share This