HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525

Antwoord op prejudiciële vragen over procespositie beschermingsbewindvoerder. Uitgangspunt is dat bewindvoerder in een procedure waarin de rechthebbende zelf gedagvaard is, als formele procespartij kan verschijnen. Indien de wederpartij van de rechthebbende bekend is met het bewind of had behoren te zijn, dient de bewindvoerder en niet de rechthebbende in rechte te worden betrokken. Rechtsmiddelen dienen eveneens door of tegen de bewindvoerder te worden ingesteld. De rechten uit een huurovereenkomst waarbij de rechthebbende voor de onderbewindstelling partij is geworden zijn aan te merken als goederen in de zin van art. 1:431 lid 1 BW.

In de onderhavige zaak staat centraal,  welke procespositie toekomt aan de bewindvoerder in een op de voet van art. 1:431 e.v. BW over de goederen van een meerderjarige ingesteld bewind. Deze kwestie is in de vorm van prejudiciële vragen door de Kantonrechter te Arnhem aan de Hoge Raad voorgelegd. Zie over deze procedure art. 392 Rv.

De zaak speelt tegen een huurrechtelijke achtergrond, te weten de door de verhuurder gevorderde  ontbinding van een huurovereenkomst met de rechthebbende. In de ontbindingsprocedure, die tegen de rechthebbende was ingesteld, is de rechthebbende niet verschenen. De kantonrechter heeft de ontbindingsvordering vervolgens bij verstek toegewezen. De bewindvoerder van de rechthebbende is van het verstekvonnis in verzet gekomen. In deze verzetprocedure heeft de bewindvoerder zich onder meer op het standpunt gesteld dat hij in dit geding optreedt als formele procespartij en dat de verhuurder wist of had kunnen weten van zijn benoeming. In verband met deze stellingname heeft de kantonrechter de Hoge Raad een aantal prejudiciële vragen voorgelegd.

De eerste vraag is, of de bewindvoerder door te verschijnen in een zaak waarin de rechthebbende is gedagvaard als procespartij kan worden aangemerkt, en – indien dit niet het geval is – of dit tijdens de procedure alsnog kan worden bewerkstelligd.

De Hoge Raad oordeelt in rov. 3.4.1, dat de bewindvoerder die in rechte verschijnt in een procedure waarin de rechthebbende zelf is gedagvaard, als formele procespartij heeft te gelden.  De bewindvoerder, zo vervolgt het college, is bevoegd in verzet te komen tegen een bij verstek gewezen vonnis in een geding waarin de rechthebbende zelf partij was, indien en voor zover in dit vonnis is geoordeeld over een onder bewind gesteld goed. Zie in dit verband ook rov. 3.3.2, waarin de Hoge Raad vooropstelt dat de bewindvoerder tijdens het bewind bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte vertegenwoordigt (art. 1:441 lid 1 BW) en dat met dit uitgangspunt strook dat de bewindvoerder in een eventueel geding over een onder bewind gesteld goed optreedt als formele procespartij ten behoeve van de rechthebbende. De Hoge Raad verwijst naar zijn uitspraak van 30 juni 2000, NJ 2001/389 (ECLI:NL:HR:2000:AA6341), waarin dit reeds voor het testamentaire bewind werd aangenomen. Zie over de regeling van testamentair bewind art. 4:153 e.v. BW.

De tweede vraag is, of de bewindvoerder moet  worden gedagvaard, ongeacht de vraag of de eisende partij bekend was (of behoorde te zijn) met de onderbewindstelling van de goederen van de te dagvaarden partij (ervan uitgaande dat het geschil de onder bewind staande goederen betreft).

De Hoge Raad neemt in rov. 3.4.2 tot uitgangspunt dat in een geding met betrekking tot een onder bewind gesteld goed de bewindvoerder in rechte dient te worden betrokken en niet de rechthebbende. Indien een wederpartij die niet met het bewind bekend was of had behoren te zijn, een geding tegen de rechthebbende zelf aanhangig heeft gemaakt, kan de bewindvoerder in rechte verschijnen om dit als formele procespartij over te nemen. Daarvoor zijn volgens de Raad geen bijzondere formaliteiten vereist; een daartoe strekkende brief aan de wederpartij en de rechter volstaat.

Voor zover een rechtsmiddel wordt aangewend tegen een rechterlijke uitspraak in een geding waarin de bewindvoerder niet optrad als formele procespartij, maar waarin de rechthebbende zelf partij was, dient dit volgens de Hoge Raad ook te geschieden door of tegen de bewindvoerder. Wordt het rechtsmiddel aangewend door of tegen de rechthebbende zelf, dan is het vorenstaande overeenkomstig van toepassing. Zie eveneens rov. 3.4.2.

De Hoge Raad wijdt in rov. 3.4.2 ook nog een overweging aan de situatie waarin de wederpartij in de loop van het geding bekend wordt met het bewind. In dat geval kan hij de bewindvoerder oproepen, desgewenst bij aangetekende brief, om in het geding te verschijnen teneinde dit verder ten behoeve van de rechthebbende te voeren. Indien de rechter in de loop van het geding van het bewind op de hoogte raakt dient hij, zo nodig ambtshalve, in een tussenuitspraak de meest gerede partij in staat te stellen de bewindvoerder op te roepen om in het geding te verschijnen.

De derde vraag, tenslotte, is of een vordering van een verhuurder tot ontbinding van een door de rechthebbende – voor de instelling van het bewind – gesloten huurovereenkomst en tot ontruiming van het gehuurde dient te worden ingesteld tegen de rechthebbende zelf of tegen de bewindvoerder.

De Hoge Raad overweegt daarover in rov. 3.4.3, dat een dergelijke vordering dient te worden ingesteld tegen de bewindvoerder als formele procespartij. Weliswaar brengt het bewind niet mee dat de bewindvoerder partij wordt bij de huurovereenkomst, maar de daaruit voortvloeiende rechten van de rechthebbende zijn volgens de Hoge Raad aan te merken als goederen in de zin van art. 1:431 lid 1 BW.

Share This