Auto (BR5211)HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:65

De rechter moet in beginsel acht slaan op producties in een vreemde taal, als hijzelf en de wederpartij een vertaling niet nodig hebben voor een goede beoordeling van de inhoud van de producties. Het overleggen van een vertaling van een productie gesteld in de Engelse, Duitse of Franse taal is in beginsel niet nodig. Een vertaling is in beginsel wel noodzakelijk als de productie in een andere vreemde taal is gesteld. Ontbreekt een noodzakelijk of wenselijk geachte vertaling, dan moet de gelegenheid worden geboden alsnog een vertaling in te brengen.

Mislukte auto-verkoop

Eisers tot cassatie hebben in Duitsland een autohandel. Zij stellen dat zij door verweerder zijn opgelicht bij de verkoop van een Mercedes Benz. Zij hebben de Mercedes en de bijbehorende papieren aan verweerder overhandigd, na ontvangst van een cheque die niet valide bleek te zijn. In dit geding vorderen zij schadevergoeding. Ter onderbouwing van hun vordering hebben zij bij hun memorie van grieven een in het Duits gestelde verklaring overgelegd. Zij kondigden aan bij akte een beëdigde vertaling over te leggen, maar hebben dat uiteindelijk niet gedaan.

Het hof heeft de Duitse verklaring, alsmede enkele andere verklaringen die in een vreemde taal gesteld waren en evenmin van een verklaring vergezeld gingen, geheel en al buiten beschouwing gelaten. Daarnaast heeft het hof een aanbod tot het horen van enkele getuigen gepasseerd, omdat eisers “ook in hoger beroep onvoldoende [hebben] vermeld wat deze getuigen zouden kunnen verklaren met betrekking tot de stelling die [eisers] gezien hun vordering zouden moeten bewijzen, namelijk dat [verweerster] door oplichting de auto van [eisers] afhandig heeft gemaakt.”

Vertaling van niet-Nederlandse producties vereist?

In cassatie klagen eisers allereerst over het buiten beschouwing laten van de in het Duits gestelde en niet vertaalde producties. Bij de beoordeling van deze klacht stelt de Hoge Raad voorop dat de wet geen regeling kent – behoudens ten aanzien van de Friese taal – omtrent het in het geding brengen van producties in een vreemde taal. Bij het formuleren van de maatstaf ter beoordeling van de vraag of de rechter acht moet slaan op dergelijke producties en of een vertaling daarvan vereist is, neemt de Hoge Raad – weinig verrassend – de eisen van een behoorlijke rechtspleging tot uitgangspunt. Op grond daarvan formuleert de Hoge Raad in rov. 3.4.4 de volgende uitgangspunten:

  • De rechter dient acht te slaan op behoorlijk in het geding gebrachte producties die in een vreemde taal zijn gesteld en waarop door een partij een beroep is gedaan, als de rechter en de wederpartij een vertaling niet nodig hebben voor een goede beoordeling van de inhoud van die producties.
  • Het overleggen van een vertaling is in beginsel niet noodzakelijk in geval van producties die in de Engelse, Duitse of Franse taal zijn gesteld. De rechter kan in dat geval toch een vertaling verlangen als hij dit nodig of wenselijk acht voor de behandeling van de zaak, mede gelet op de belangen van de wederpartij.
  • Van producties die in een andere vreemde taal zijn gesteld is in beginsel wel een vertaling noodzakelijk.
  • In die gevallen waarin een noodzakelijke of wenselijk geachte vertaling ontbreekt, dient de partij die de productie heeft overgelegd in de gelegenheid te worden gesteld een vertaling daarvan in het geding te brengen, tenzij de eisen van een goede procesorde zich daartegen verzetten. De rechter kan bepalen dat die vertaling door een beëdigd vertaler moet zijn opgemaakt en ondertekend.

Gelet op deze uitgangspunten had het hof de door eisers overgelegde producties niet zonder meer buiten beschouwing mogen laten.

Bewijsaanbod ten onrechte gepasseerd

Ook de klacht dat het hof het bewijsaanbod ten onrechte heeft gepasseerd, slaagt. Net als in HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:49, CB 2016-15, verwijst  de Hoge Raad naar zijn uitspraak van HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817 (rov. 3.6.2). De Hoge Raad stelt verder voorop (1) dat ook in hoger beroep mag worden verwacht dat de partij die bewijs door getuigen aanbiedt, voldoende concreet vermeldt op welke stellingen dit aanbod betrekking heeft, en wie daarover een verklaring zouden kunnen afleggen, maar (2) dat in het algemeen niet  zal mogen worden verlangd dat daarbij ook wordt vermeld wat daarover door getuigen zal kunnen worden verklaard.

En ook in deze zaak heeft het hof te strenge eisen aan de specificatie gesteld:

“3.6.3 (…) Door te oordelen dat [eisers] onvoldoende concreet hebben vermeld wat [betrokkene 3] en [verweerster] als getuigen zouden kunnen verklaren met betrekking tot de stelling van [eisers] dat [verweerster] de auto door oplichting van [eisers] afhandig heeft gemaakt (rov. 7.13), heeft het hof miskend dat aan het bewijsaanbod niet de eis kan worden gesteld dat wordt vermeld wat door de getuigen zal kunnen worden verklaard over de stellingen waarop het bewijsaanbod betrekking heeft.”

De zaak wordt verwezen naar hof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing.

Share This