HR 3 mei 2013, LJN BZ1468

Indien de rechter de zienswijze van een door hem benoemde deskundige volgt, zal hij moeten ingaan op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van deze deskundige (gebaseerd op een door hen geraadpleegde deskundige), indien deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van die zienswijze.

Verzoeker tot cassatie is, enkele maanden na zijn (vroegtijdige) geboorte, opgenomen in het Dr. Horacio E. Oduber Hospitaal op Aruba, vanwege een “apparently life threatening event” (ALTE), waardoor hij geen adem meer haalde. Dankzij de toediening van zuurstof is zijn toestand even gestabiliseerd, maar nog diezelfde dag deed zich een tweede, vergelijkbaar incident voor. Verzoeker is nog ruim een maand in het Arubaanse ziekenhuis behandeld en daarna overgebracht naar het Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam. Inmiddels is hij meerderjarig en, vanwege opgelopen hersenbeschadiging, geestelijk en lichamelijk ernstig gehandicapt.

In dit geding vordert verzoeker (aanvankelijk wettelijk vertegenwoordigd door zijn ouders) een verklaring voor recht dat het Arubaanse ziekenhuis wegens een gebrekkige en onoordeelkundige behandeling aansprakelijk is voor de dientengevolge geleden en nog te lijden schade.

Het Gerecht in Eerste Aanleg en het Gemeenschappelijk Hof van Justitie wezen deze vordering af. Daarbij baseerden zij zich op het oordeel van een drietal deskundigen, die meenden dat de hersenbeschadiging voor een groot deel (namelijk voor 80-90 procent) was te wijten aan de ALTE, respectievelijk het daarop volgende vergelijkbare incident. De naderhand in het ziekenhuis nog opgelopen extra hersenschade (10-20 procent) voegde volgens de deskundigen een “weinig relevante verergering” toe.

In feitelijke instanties hebben de ouders van verzoeker zich op het standpunt gesteld dat wel degelijk de gehele, althans nagenoeg gehele hersenschade gedurende de behandeling in het Arubaanse ziekenhuis moet zijn ontstaan. Meer concreet hebben zij aangevoerd dat zij in de beginfase van de behandeling nog goed oogcontact met verzoeker hebben gehad. Het hof verwierp deze stelling onder verwijzing naar het rapport van de drie deskundigen, waaruit het hof afleidde dat de aan- of afwezigheid van oogcontact “van onvoldoende belang is bij de onderhavige problematiek”.

In cassatie klaagt verzoeker dat het hof onvoldoende heeft gerespondeerd op de visie van een door zijn ouders in feitelijke instanties geraadpleegde kinderneuroloog. Deze had namelijk de zienswijze van de drie door het Gerecht benoemde deskundigen, dat het oogcontact aan “subcorticale reacties” moest worden toegeschreven, in twijfel getrokken met de stelling dat dergelijke reacties bij de mens nimmer aangetoond zijn. Voorts had hij kanttekeningen geplaatst bij de wijze waarop de drie deskundigen een bepaalde echografie hadden geïnterpreteerd. Het hof had dienaangaande niet meer overwogen dan dat het de visie van de deskundigen “juist en duidelijk” achtte.

Bij de beoordeling van deze klacht stelt de Hoge Raad, onder verwijzing naar vaste rechtspraak, voorop:

“3.6 (…) In een geval als het onderhavige, waarin het standpunt van een door een partij geraadpleegde deskundige afwijkt van dat van de door de rechter benoemde deskundige, behoeft de rechter zijn beslissing om de zienswijze van de laatstgenoemde deskundige te volgen in het algemeen niet verder te motiveren dan door te overwegen dat de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Wel zal de rechter moeten ingaan op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door de rechter benoemde deskundige, indien deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze (zie onder meer HR 5 december 2003, LJN AN8478, NJ 2004/74 en HR 9 december 2011, LJN BT2921, NJ 2011/599).”

In beginsel behoeft de rechter dus niet te motiveren waarom hij zich met de door hem benoemde deskundige verenigt, maar dat wordt anders indien partijen, met een beroep op een door hen geraadpleegde deskundige, specifieke bezwaren inbrengen tegen de zienswijze van de door de rechter benoemde deskundige. Leveren deze bezwaren een “voldoende gemotiveerde betwisting” op van de juistheid van diens zienswijze, dan zal de rechter moeten uitleggen waarom hij deze zienswijze toch tot de zijne maakt.

In dit geval oordeelt de Hoge Raad – anders dan A-G Wuisman (zie zijn conclusie, sub 2.8.2) – dat het beroep van verzoeker op het oordeel van de kinderneuroloog een voldoende gemotiveerde betwisting opleverde van de juistheid van de zienswijze van de drie deskundigen. Het hof had daarop dus moeten ingaan en zal dat (na terugverwijzing) alsnog moeten doen.

Share This