HR 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1600 (Eiser/Rabobank)

Behoudens bijzondere omstandigheden, bevatten de artikelen 237-240 Rv een zowel limitatieve als exclusieve regeling ten aanzien van de proceskosten waarin een bij vonnis in het ongelijk gestelde partij kan worden veroordeeld.

Inleiding; vergoeding van proceskosten

Krachtens art. 6:96 lid 2 BW komen als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking a) redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade, b) redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en c) redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Art. 237 Rv bepaalt dat een partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, in beginsel in de proceskosten wordt veroordeeld. Laatstgenoemde proceskostenvergoeding wordt in de regel berekend aan de hand van het toepasselijke liquidatietarief en biedt overigens geen volledige vergoeding van de gemaakte kosten. Ten aanzien van de mogelijke samenloop van een aanspraak op vergoeding van vermogensschade op grond van art. 6:96 lid 2 BW enerzijds en de proceskostenveroordeling ex art. 237-240 Rv anderzijds, bepaalt art. 241 Rv dat jegens een wederpartij geen vergoeding op basis van art. 6:96 lid 2 BW kan worden toegekend ter zake van verrichtingen waarvoor de in art. 237 e.v. Rv bedoelde (proces)kosten een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak (zie ook art. 6:96 lid 3 BW).

Feiten en procesverloop

Twee broers (eiser en X) zijn erfgenamen van hun ouders, die in september 2009 om het leven zijn gebracht. Tot de nog onverdeelde nalatenschap van de ouders behoort hun huis. De broers zijn het echter niet eens over de wijze van verkoop van dit huis. De Rabobank heeft een vordering op broer X, in het kader waarvan zij (na verkregen toestemming) conservatoir beslag heeft doen leggen op het aandeel van broer X op het huis. Eiser heeft in kort geding opheffing van dit beslag gevorderd, waarna de voorzieningenrechter het beslag heeft opgeheven. De Rabobank is van dat vonnis van de voorzieningenrechter in hoger beroep gekomen. In hoger beroep hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarna de zaak is geroyeerd. In de vaststellingsovereenkomst is onder meer het volgende opgenomen:

“Over de eventuele schade voor [eiser] als gevolg van de handelswijze van de Rabobank, waaronder de kosten van [eiser] voor rechtsbijstand, kan op dit moment niet veel worden gezegd. Deze eventuele schade staat thans nog open.”

In de onderhavige procedure heeft eiser in eerste aanleg gevorderd dat de Rabobank wordt veroordeeld tot betaling van schadevergoeding op grond van het door de Rabobank onrechtmatig gelegde beslag. De Rabobank stelt zich echter op het standpunt dat zij geen misbruik van procesrecht heeft gemaakt, zodat eiser slechts recht heeft op vergoeding van proceskosten volgens het geliquideerde tarief. De kantonrechter heeft de vordering van eiser afgewezen.

Eiser is van de beslissing van de kantonrechter in hoger beroep gekomen. In hoger beroep vordert eiser onder meer dat Rabobank wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding en tot betaling van de volledige proceskosten van zowel de procedure in eerste aanleg als in hoger beroep. Het hof veroordeelt de Rabobank echter tot betaling van een lager bedrag aan schadevergoeding dan gevorderd, en slechts in de proceskosten in hoger beroep, te berekenen volgens het liquidatietarief. Het hof overwoog daartoe dat, nu eiser in eerste aanleg niet tegen de proceskostenveroordeling conform het liquidatietarief is opgekomen, er geen grondslag bestaat voor een integrale proceskostenvergoeding. Bovendien geldt voor de procedure in hoger beroep tegen dat vonnis die middels een vaststellingsovereenkomst is geëindigd, dat de kosten van de procedure buiten voornoemde schikking zijn gelaten. Volgens het hof komt eiser hiervoor weliswaar een vergoeding toe, maar dient deze te worden berekend aan de hand van het toepasselijke liquidatietarief. Volgens het hof bestaat onvoldoende reden om van het toepasselijke liquidatietarief af te wijken.

Hoge Raad: regeling omtrent proceskostenveroordeling is limitatief en exclusief

Eiser komt van dit oordeel van het hof in cassatie. Volgens eiser is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, nu hij schadevergoeding heeft gevorderd op grond van art. 6:96 lid 1 en lid 2 BW en niet op grond van art. 241 Rv. De Hoge Raad oordeelt dat, nu Rabobank onrechtmatig tegenover eiser heeft gehandeld door het onderhavige beslag te leggen, zij in beginsel gehouden is de daarvoor veroorzaakte schade volledig te vergoeden (art. 6:162 lid 1 BW). Onder verwijzing naar de Parlementaire Geschiedenis (Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 36) oordeelt de Hoge Raad echter dat het middel van eiser miskent dat de wetgever op dit uitgangspunt een uitzondering heeft gemaakt in de art. 6:96 lid 3 en 241 Rv ten aanzien van verrichtingen waarvoor de in de art. 237-240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten, zoals die ter voorbereiding van gedingstukken en ter instructie van de zaak. In zo een geval kan de wederpartij geen schadevergoeding vorderen op de voet van art. 6:96 lid 2 BW, maar zijn de regels betreffende proceskosten exclusief van toepassing. De Hoge Raad vervolgt:

“3.4.2 Uit de wettekst en de zojuist aangehaalde toelichting volgt dat de art. 237-240 Rv, behoudens bijzondere omstandigheden, een zowel limitatieve als exclusieve regeling bevatten van de kosten waarin de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld. Deze regeling derogeert ingevolge art. 6:96 lid 3 BW in verbinding met art. 241 Rv aan art. 6:96 lid 2 BW. Zij derogeert eveneens aan het uitgangspunt dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt die hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt, volledig te vergoeden.”

A-G Wesseling-van Gent concludeerde overigens tot vernietiging. In de conclusie wordt (onder meer) ingegaan op de vraag of er beletsel bestaat om in een procedure met verplichte procesvertegenwoordiging reis- en verletkosten van een partij als verschotten op te voeren, wat volgens de A-G niet het geval is. De gedachte dat een partij niet ter zitting aanwezig hoeft te zijn indien hij wordt vertegenwoordigd door een advocaat, lijkt achterhaald te zijn. Tegenwoordig behoren partijen immers zelf ook aanwezig te zijn bij comparities en pleidooien, zodat een beperking in de vergoeding van de kosten tot situaties waarin aanwezigheid van een partij in persoon door de rechter wordt vereist, volgens de A-G dus niet meer op zijn plaats is. De A-G vervolgt:

“In de onderhavige zaak zijn, voor zover valt na te gaan, deze posten van in totaal € 497,16 niet als verschotten opgevoerd. Dit betekent dat dit bedrag naar mijn mening in het onderhavige geval, waarin de onrechtmatigheid van het beslag is gegeven en de kosten zijn gemaakt in verband met de procedure tot opheffing van het beslag, als vermogensschade op de voet van art. 6:96 lid 1 BW kan worden gevorderd. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat deze kosten een vergoeding plegen in te sluiten dan wel deze posten niet als vermogensschade in de zin van art. 6:96 lid 1 BW kunnen worden opgevat, geeft zijn oordeel mitsdien blijk van een onjuiste rechtsopvatting en slaagt het cassatieberoep in zoverre.”

De Hoge Raad gaat hier niet in mee en overweegt in dit verband dat het hof kennelijk heeft geoordeeld dat de vordering tot schadevergoeding van eiser verrichtingen betreft waarvoor de in de artikelen 237-240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. Anders dan de A-G betoogde, betreft dit volgens de Hoge Raad dus niet alleen de in het opheffingsgeding gemaakte advocatenkosten, maar óók de bij die gelegenheid gemaakte reis- en verletkosten van eiser, diens gederfde inkomsten en de kosten van aangetekende brieven. Volgens de Hoge Raad was het oordeel van het hof aldus juist en faalt het middel om die reden. Ook de overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden en worden ingevolge art. 81 RO zonder nadere motivering verworpen.

Share This