Selecteer een pagina

HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7596 (Stichting Waarborgfonds Motorverkeer/X)

In hoger beroep hebben partijen in beginsel recht op pleidooi. Het bepaalde in het rolreglement kan daar niet aan afdoen. Weigering van een verzoek om pleidooi kan slechts als de wederpartij klemmende redenen daartoe aanvoert of als het verzoek in strijd zou zijn met de eisen van een goede procesorde.

Voordat de rechter over de zaak beslist, wordt aan partijen desverlangd gelegenheid geboden voor pleidooien”, zo bepaalt art. 134 lid 1 Rv. De wet maakt een uitzondering voor het geval al een comparitie na antwoord heeft plaatsgevonden: dan is er al een mondelinge behandeling geweest, en hoeft de rechter niet ook nog eens pleidooi toe te staan, als hij meent dat partijen op de comparitie hun standpunt voldoende uiteen hebben kunnen zetten.

Art. 134 Rv is ook van toepassing in hoger beroep. In appèl is er echter in principe geen comparitie na antwoord, en is het heel gebruikelijk dat er wordt gepleit. Een goede pleitzitting kan veel toevoegen aan een zaak: de rechters zien partijen in persoon en kunnen uit de antwoorden op directe vragen aan hen en hun advocaten soms een beter beeld krijgen van de problematiek van de zaak dan wanneer zij uitsluitend op het papieren dossier moeten afgaan. De advocaten hebben de mogelijkheid om – na wellicht uitvoerige memories van grieven en antwoord – nog eens de belangrijke punten uit een zaak uiteen te zetten en vooral aan de kant van de appellant kan behoefte bestaan om argumenten uit de memorie van antwoord te ontkrachten.

Pleidooien in hoger beroep nemen natuurlijk wel tijd in beslag, en zij vertragen de procesgang. Zeker als het desbetreffende gerechtshof toch al veel zaken op de plank heeft liggen, kan het door het hof als bezwaarlijk worden gezien om alle pleitverzoeken te honoreren. Daarbij hebben niet alle pleidooien evenveel toegevoegde waarde.

Vooral als het procesverloop in appèl al uitgebreider is geweest dan de standaard memoriewisseling, lijken sommige hoven (of sommige kamers van hoven) de afgelopen jaren daarom terughoudender te zijn geworden bij het toestaan van pleidooi. Het is ons bekend dat, behalve in de hier besproken zaak, op dit moment nog ten minste twee zaken bij de Hoge Raad aanhangig zijn waarin – met een beroep op het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (LPr gerechtshoven) – een verzoek om pleidooi is geweigerd.

Het weigeren van pleidooi mag echter slechts onder specifieke en uitzonderlijke omstandigheden. Dat hangt ermee samen dat het recht op pleidooi fundamenteler van aard is dan een willekeurig processueel recht dat uit de Nederlandse wet volgt: in het arrest Boumans/Bistro ’t Plenske II (HR 15 maart 1996, NJ1997, 341) bepaalde de Hoge Raad dat mede aan art. 6 EVRM ontleende, fundamentele beginselen van procesrecht meebrengen dat een procespartij, als zij dat verzoekt, de gelegenheid hoort te hebben haar standpunt mondeling ten overstaan van de rechter uiteen te zetten. In HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7676 maakte de Hoge Raad dan ook duidelijk dat:

“[e]en verzoek om de zaak te mogen bepleiten […] slechts in zeer uitzonderlijke gevallen [zal] mogen worden geweigerd. Daartoe is noodzakelijk dat van de zijde van de wederpartij tegen toewijzing van het verzoek klemmende redenen worden aangevoerd of dat toewijzing van het verzoek strijdig zou zijn met de eisen van een goede procesorde.”

In de uitspraak van 2 december 2011 bevestigt de Hoge Raad deze rechtspraak. De appellant had na getuigenverhoren in hoger beroep verzuimd om een antwoordmemorie na enquête te nemen. De zaak werd naar de rol verwezen voor fourneren, maar in plaats van te fourneren, vroeg appellant pleidooi. Dat werd afgewezen door het hof, omdat het LPr in het stadium van fourneren niet in het vragen om pleidooi zou voorzien en het vragen van pleidooi kennelijk alleen maar diende om het verzuim om de antwoordmemorie in te dienen te herstellen.

De Hoge Raad wil daar niets van weten. Hij wijst erop dat eerdere rechtspraak nog steeds geldig is en zet de regels nog eens op een rij:

“Onverminderd geldt in hoger beroep derhalve
– dat partijen in beginsel het recht hebben hun standpunten bij pleidooi toe te lichten;
– dat een verzoek om de zaak te mogen bepleiten slechts in zeer uitzonderlijke gevallen zal mogen worden afgewezen;
– dat daartoe noodzakelijk is dat van de zijde van de wederpartij tegen toewijzing van het verzoek klemmende redenen worden aangevoerd of dat toewijzing van het verzoek strijdig zou zijn met de eisen van een goede procesorde;
– dat de rechter in elk van deze beide gevallen zijn redenen voor afwijzing van het verzoek uitdrukkelijk zal moeten vermelden en zijn beslissing daaromtrent deugdelijk zal moeten motiveren, en
– dat het bepaalde in het rolreglement niet kan afdoen aan het in de wet vastgelegde recht op pleidooi.”

Ook áls al uit het rolreglement zou volgen dat pleidooi kan worden geweigerd, kan dit het fundamentele recht op pleidooi dus niet opzij zetten als geen sprake is van door de wederpartij aangevoerde klemmende redenen of strijd met een goede procesorde. Zulke omstandigheden deden zich hier niet voor, en dus vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst hij de zaak terug naar het hof, dat alsnog pleidooi zal moeten toestaan.

Share This