CB 2011, 4 – HR 15 april 2011, LJN ECLI:NL:2011:BO9629

Het leggen van strafvorderlijk executoriaal beslag op een voorwerp van een ander is niet mogelijk zonder voorafgaand conservatoir beslag.

In deze zaak heeft de Staat strafvorderlijk executoriaal beslag gelegd op een boerderij, ter verhaal van een ontnemingsmaatregel  (art. 36e Sr) die al vóór het leggen van het beslag onherroepelijk was opgelegd aan B. De boerderij waarop het beslag is gelegd behoort echter in eigendom toe aan verweerder in cassatie A. Volgens de officier van justitie bestonden voldoende aanwijzingen dat sprake was van een schijnconstructie (als bedoeld in art. 94a lid 3 Sv): de boerderij zou door of met tussenkomst van B enkel formeel op naam van A zijn gezet, met de bedoeling om zo te verhinderen dat de aan B opgelegde ontnemingsmaatregel op de boerderij zou kunnen worden verhaald.

Probleem hierbij is dat art. 94a lid 3 Sv alleen betrekking heeft op  de mogelijkheid om conservatoir beslag te leggen op zaken die door middel van een schijnconstructie zijn gaan toebehoren aan derden. Het Wetboek van Strafvordering voorziet niet, althans niet uitdrukkelijk, in de mogelijkheid dat een dergelijk beslag direct in executoriale vorm wordt gelegd, zonder dat eerst een conservatoir beslag op de voet van art. 94a lid 3 Sv is gelegd.

In cassatie voert de Staat onder meer aan dat de wetgever met de introductie van art. 94a lid 3 Sv onmiskenbaar de bedoeling heeft gehad om verhaal op de in deze bepaling bedoelde zaken van derden mogelijk te maken en dat dit meebrengt dat ook een rechtstreeks executoriaal beslag op dit soort zaken mogelijk is. De Hoge Raad (voor deze gelegenheid overigens grotendeels bestaande uit leden van de strafkamer) oordeelt echter anders:

“Het Wetboek van Strafvordering voorziet niet uitdrukkelijk in een bevoegdheid van het openbaar ministerie tot het leggen van een strafvorderlijk executoriaal beslag op voorwerpen van een ander zonder dat daaraan een conservatoir beslag op de voet van art. 94a lid 3 Sv is voorafgegaan. Weliswaar heeft de wetgever blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van art. 94a lid 3 Sv een verruiming van de beslag- en verhaalsmogelijkheden beoogd bij derden die te kwader trouw voorwerpen onder zich hebben die middellijk of onmiddellijk afkomstig zijn van het misdrijf in verband waarmee het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, maar die algemene doelstelling volstaat niet voor de door het onderdeel bepleite uitleg van art. 575 Sv. In het licht van de ingevolge art. 1 Sv geboden restrictieve interpretatie van de voorschriften inzake de toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen als de onderhavige kan immers de bevoegdheid tot het leggen van het hier aan de orde zijnde executoriaal beslag niet zonder wettelijke grondslag worden aanvaard. “

De Hoge Raad heeft in dit arrest dus het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel zwaarder laten wegen dan de (uit de wetsgeschiedenis blijkende) algemene bedoeling van de wetgever. Overigens is inmiddels een wetsvoorstel in behandeling (wetsvoorstel 32 194) waarin aan art. 575 Sv lid 1 zal worden toegevoegd dat verhaal mede kan worden genomen op voorwerpen als bedoeld in art. 94a lid 3 en 4 Sv die niet reeds voor het onherroepelijk worden van het vonnis of arrest in beslag zijn genomen. Wanneer dit wetsvoorstel wordt aanvaard zal dus alsnog zijn voorzien in de benodigde wettelijke grondslag om direct executoriaal beslag te leggen op zaken als bedoeld in art. 94 lid 3 en 4 Sv.

De Staat is in deze zaak in cassatie bijgestaan door Karlijn Teuben.

Share This