Selecteer een pagina

HR 28 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:83

Bij onduidelijkheid over de vraag of het hof verlof heeft verleend voor het instellen van tussentijds cassatieberoep, eist de rechtszekerheid dat ervan uit moet worden gegaan dat het verlof is verleend. Tegen een beslissing om al dan niet tussentijds beroep open te stellen staat geen hogere voorziening open, ook niet met een beroep op doorbrekingsgronden. 

De feiten

Het hof heeft in een tussenarrest geoordeeld dat het behoefte heeft aan deskundige voorlichting. Capgemini heeft daarop het hof verzocht om verlof te verlenen voor het instellen van tussentijds cassatieberoep tegen dit tussenarrest.

Op 22 december 2020 hebben partijen van het hof een afschrift ontvangen van een arrest waarin is bepaald dat tegen het tussenarrest tussentijd cassatieberoep kan worden ingesteld. Daarbij is onderaan het arrest vermeld dat het is gewezen door de aldaar genoemde raadsheren en in het openbaar is uitgesproken op 22 december 2020. Vervolgens is op de rol van diezelfde datum aangetekend dat géén arrest is uitgesproken en dat de zaak in verband met de nieuw binnengekomen stukken wordt verwezen naar een latere rol. De dag daarna, op 23 december 2020, heeft de rolgriffier van het hof en de advocaten van beide partijen verzocht het arrest te vernietigen, omdat per ongeluk een afschrift aan partijen is verstuurd, maar het arrest niet daadwerkelijk is uitgesproken. Op 19 januari 2021 heeft Capgemini cassatieberoep ingesteld tegen het tussenarrest. Bij brief van 27 januari 2021 heeft de griffier van het hof aan partijen medegedeeld dat het verzoek om verlof voor tussentijds cassatieberoep tegen het tussenarrest is afgewezen. Deze beslissing is eveneens op de rol aangetekend.

Het oordeel van de Hoge Raad

In cassatie draait het om de vraag of het tussentijdse cassatieberoep ontvankelijk is. De Hoge Raad overweegt dat het hof een afschrift van het arrest heeft verstrekt waarin het verlof is verleend, terwijl op de rol van 22 december 2020 is aangetekend dat geen arrest is uitgesproken. Hierdoor heeft onduidelijkheid kunnen ontstaan over de vraag of het verlof is verleend. In dat geval vereist de rechtszekerheid dat ervan moet worden uitgegaan dat het verlof is verleend. Om dezelfde redenen kon het hof ook niet later een beslissing nemen die anders luidde dan in het afschrift van het arrest was vermeld.

In haar conclusie gaat de A-G in op de vraag of het hof is teruggekomen van zijn eerdere beslissing om tussentijds cassatieberoep open te stellen. Daarbij bespreekt de A-G eerst de vraag of de beslissing van het hof om verlof te verlenen voor tussentijds cassatieberoep moet worden gezien als een einduitspraak, een tussenuitspraak of een rolbeschikking. De kwalificatie van de beslissing heeft daarbij gevolgen voor de eventuele mogelijkheid van een rechter om later van die beslissing terug te komen. De A-G komt daarbij tot de conclusie dat een beslissing over het openstellen van tussentijds cassatieberoep geldt als een eindbeslissing. Het hof kon daarom volgens de A-G hier alleen wijzigingen in aanbrengen in het kader van herstel van een kennelijke fout van art. 31 Rv. Aangezien het hof geen herstelbeslissing heeft genomen op grond van art. 31 Rv, is het hof dus ook niet teruggekomen van zijn beslissing van 22 december 2020, aldus de A-G.

De Hoge Raad laat deze kwalificatievraag verder onbesproken.

Het voorwaardelijke incidentele cassatieberoep is niet-ontvankelijk, waarbij de Hoge Raad verwijst naar zijn recente  arrest (besproken in CB  2021-117 en CB 2022-2): tegen een beslissing om al dan niet tussentijds beroep open te stellen staat geen hogere voorziening open, ook niet met een beroep op doorbrekingsgronden.

De Hoge Raad verwijst de zaak naar de rol voor beraad voortprocederen en verklaart het incidentele cassatieberoep niet-ontvankelijk.

Share This