Selecteer een pagina

HR 14 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:260

Gelet op de tekst van het kwijtingsbeding is ’s hofs oordeel dat de volledige kwijting van verhuurder ter zake van “al zijn verplichtingen ingevolge het Huurcontract” ook ziet op een op de wet gegronde vordering uit onverschuldigde betaling zonder nadere motivering onbegrijpelijk.

Achtergrond van de zaak

Een huurder vordert van een verhuurder betaling van een bedrag van € 273.373,96 en de wettelijke handelsrente die is verschuldigd wegens de vertraging in de voldoening van deze geldsom. Volgens de huurder is hij per abuis doorgegaan met het maandelijks terugbetalen van een reeds afgeloste lening.

De verhuurder betwist deze vordering uit onverschuldigde betaling. Volgens hem hebben partijen bij de mondelinge verlenging van de huurovereenkomst een huurverhoging afgesproken, op grond waarvan het gehele maandbedrag ter zake van huur verschuldigd was. Subsidiair doet verhuurder een beroep op een kwijtingsbeding in een nadien tussen partijen (en de opvolgend verhuurder) gesloten overeenkomst. Dit beding luidt:

“Met de ondertekening van deze overeenkomst tot indeplaatsstelling zal Verhuurder jegens Huurder uit al zijn verplichtingen ingevolge het Huurcontract zijn ontslagen en ter zake jegens Huurder volledig zijn gekweten.”

Het hof oordeelt het hoger beroep tegen de afwijzing door de rechtbank van de vordering ongegrond. Volgens het hof ziet het kwijtingsbeding niet alleen op verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst, maar ook op eventuele verplichtingen uit onverschuldigde betaling. In cassatie gaat het om deze uitleg die het hof aan het kwijtingsbeding heeft gegeven.

Uitleg van het kwijtingsbeding

In haar conclusie legt A-G Wesseling-van Gent uit dat kwijting een getekend geschrift is waarmee het feit van de betaling wordt erkend. Zij wijst op het arrest Citadel/Bela, besproken in CB 2018-115, waarin de Hoge Raad overweegt:

“Een kwijting houdt (…) in beginsel niet meer in dan de verklaring ten bewijze dat de desbetreffende betaling heeft plaatsgevonden, waartegen tegenbewijs openstaat (art. 6:48-49 BW in verbinding met art. 157 Rv).”

De betekenis van een kwijtingsbeding moet door uitleg worden vastgesteld. Het komt aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het beding mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

In deze procedure heeft het hof geoordeeld dat de verhuurder redelijkerwijs mocht verwachten – en dat de huurder dit zo had moeten begrijpen – dat de huurder geen aanspraken wegens te veel betaalde huurpenningen geldend zou maken, ook niet op grond van de stelling dat het te veel betaalde is veroorzaakt door het niet staken van termijnbetalingen ter terugbetaling van een geleend bedrag. Nu huurder aan verhuurder onvoorwaardelijk kwijting van diens verplichtingen uit hoofde van de huurovereenkomst heeft verleend, is verhuurder volgens het hof tevens gekweten van een eventuele verplichting om te veel ontvangen huurpenningen terug te betalen.

Oordeel dat kwijtingsbeding ook ziet op onverschuldigde betaling is onbegrijpelijk

In cassatie klaagt de huurder onder meer dat het oordeel van het hof dat de verhuurder en de huurder met het kwijtingsbeding ook een niet op de huurovereenkomst maar op de wet gegronde vordering uit onverschuldigde betaling voor ogen hebben gehad, gelet op de tekst van dat beding – “al zijn verplichtingen ingevolge het Huurcontract” – zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. Deze klacht is gegrond:

“3.2 (…) Het hof heeft in het midden gelaten de juistheid van het betoog van [verhuurder] dat [huurder] een bedrag van € 273.373,96 onverschuldigd heeft betaald doordat [huurder] over de jaren 2005 tot en met 2009 maandelijks een te hoog bedrag onder vermelding van “maandhuur” heeft betaald, in welk maandbedrag abusievelijk nog een bedrag voor aflossing van een reeds geheel afgeloste lening was opgenomen. In cassatie moet dan ook veronderstellenderwijs van de juistheid van dat betoog worden uitgegaan. Het vorderingsrecht dat [huurder] in dit geding geldend maakt, is niet gegrond op de huurovereenkomst die tussen [voormalige huurder] en [verhuurder] heeft bestaan. Het oordeel van het hof dat de volledige kwijting van [verhuurder] ter zake van “al zijn verplichtingen ingevolge het Huurcontract” ook ziet op dit vorderingsrecht van [huurder], is zonder nadere motivering onbegrijpelijk.”

Volgt vernietiging en verwijzing.

Share This