Selecteer een pagina

HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2005

Als een partij bij wijze van verweer een beroep doet op verrekening en de rechter dat verweer verwerpt met toepassing van artikel 6:136 BW, komt die rechter aan een beoordeling van de verrekeningsbevoegdheid uit artikel 6:127 lid 2 BW niet toe. Indien een schuldenaar vervolgens in hoger beroep opkomt tegen de verwerping van zijn verrekeningsverweer op de voet van art. 6:136 BW, moet de rechter in hoger beroep, indien hij voor toepassing van art. 6:136 BW geen aanleiding ziet, alsnog beoordelen of de schuldenaar tot verrekening bevoegd was op het moment dat deze de verrekeningsverklaring uitbracht.

Achtergrond bij een beroep op verrekening

Teruggebracht tot de kern gaat de zaak om de verhouding tussen art. 6:127 BW en art. 6:136 BW. Art. 6:127 lid 1 BW bepaalt dat wanneer een schuldenaar die de bevoegdheid tot verrekening heeft aan zijn schuldeiser verklaart dat hij zijn schuld met een vordering verrekent, beide verbintenissen tot hun gemeenschappelijk beloop teniet gaan. Deze verrekening werkt op grond van art. 6:129 lid 1 BW terug tot het tijdstip waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan. Een partij kan zo’n beroep op verrekening ook (pas) in een procedure doen, als hij door een partij wordt aangesproken tot betaling van een bedrag terwijl hij op die partij zelf ook een vordering heeft. Art. 6:136 BW geeft de rechter echter de bevoegdheid om een beroep op verrekening te weigeren, als de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen.

Feiten

In deze procedure twisten partijen over de vraag of één van hen, Van Noort Gassler, een vordering op de voet van art. 6:127 BW kan verrekenen met een vordering die de ander beweert te hebben in verband met de verkoop van een bedrijf. Aan het verrekeningsverweer van Van Noort Gassler is de rechtbank, kort gezegd, met toepassing van art. 6:136 BW voorbijgegaan (rov. 4.2.1).

Tussen het vonnis van de rechtbank en het hoger beroep van Van Noort Gassler, cedeert deze laatste haar beweerde vordering aan een derde (Adsebu). Daardoor rijst in het hoger beroep de vraag of Van Noort Gassler de bevoegdheid tot verrekening is verloren. Volgens het hof is dat niet het geval, want de vraag of Van Noort Gassler de bevoegdheid tot verrekening heeft, moet worden beantwoord op grond van de feiten en omstandigheden zoals die nu voorliggen, en niet op grond van een beoordeling ex tunc (rov. 3.13).

Van Noort Gassler voert nog aan dat dat het rechtsgevolg van de door haar ingeroepen verrekening al in eerste aanleg is ingetreden, toen zij de verrekeningsverklaring aflegde (en in eerste aanleg was Van Noort Gassler naar eigen zeggen nog verrekeningsbevoegd, want de vordering werd pas tussen de eerste aanleg en het hoger beroep gecedeerd). Ook dit betoog treft volgens het hof geen doel. De rechtbank heeft in het bestreden eindvonnis het beroep op verrekening verworpen, waardoor de werking aan de verrekeningsverklaring van Van Noort Gassler is ontnomen, aldus nog steeds het hof.

Hoge Raad: de kaders voor verrekening van artt. 6:127 en 6:136 BW

De Hoge Raad geeft eerst de algemene kaders voor de meergenoemde bepalingen over verrekening (rov. 3.1.2-3.1.3). Die luiden als volgt. Bij de beoordeling van een beroep op verrekening als bedoeld in art. 6:127 BW, gaat het erom of de schuldenaar de bevoegdheid tot verrekening zoals bedoeld in art. 6:127 lid 2 BW heeft op het moment dat hij aan de schuldeiser verklaart dat hij zijn schuld met een vordering verrekent. Indien dat op dat moment het geval is, gaan op grond van art. 6:127 lid 1 BW beide verbintenissen tot hun gemeenschappelijk beloop teniet en werkt de verrekening op grond van art. 6:129 lid 1 BW terug tot het tijdstip waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan. Op grond van art. 6:136 BW kan de rechter een vordering ondanks een beroep van de schuldenaar op verrekening toewijzen, indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is.

Hoge Raad: hof moet verrekeningsbevoegdheid uit eerste aanleg alsnog toetsen

Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat, indien in een procedure bij wijze van verweer een beroep wordt gedaan op verrekening en de rechter dat verweer verwerpt met toepassing van art. 6:136 BW (zoals in deze procedure van Van Noort Gassler en verweersters), die rechter aan een verdere beoordeling van de bevoegdheid van de schuldenaar tot verrekening als bedoeld in art. 6:127 lid 2 BW niet toekomt. Ik breng in herinnering dat de rechtbank in dit geval het verrekeningsverweer van Van Noort Gassler inderdaad had afgewezen met toepassing van art. 6:136 BW.

Hierna vervolgt de Hoge Raad met de overweging dat indien de schuldenaar (zoals hier Van Noort Gassler) in hoger beroep opkomt tegen de verwerping van zijn verrekeningsverweer op de voet van art. 6:136 BW, de rechter in hoger beroep, indien hij voor toepassing van art. 6:136 BW geen aanleiding ziet, alsnog moet beoordelen of de schuldenaar tot verrekening bevoegd was op het moment dat deze de verrekeningsverklaring uitbracht volgens het hiervoor weergegeven kader van art. 6:127 BW.

In dat laatste schuilt volgens de Hoge Raad de fout van het hof in deze zaak. Het hof had namelijk in het midden gelaten of de grieven slagen tegen het op de voet van art. 6:136 BW passeren van het verrekeningsverweer door de rechtbank. Daardoor liet het hof de mogelijkheid open dat de verrekeningsverklaring van Van Noort Gassler al in eerste aanleg haar werking had gehad, in welk geval de door het hof genoemde latere gebeurtenissen (lees: de latere cessie van de te verrekenen vordering aan een derde) daaraan niet meer konden afdoen.

Volgt vernietiging en verwijzing.

Share This